BibVanLanschot metTekstDachaulezing

In het licht van Bib van Lanschot Nederlands Dachau Comité Donderdag 12 April 2018

BNMO gebouw,

Stichting de Basis, Doorn

 


 

Welkom Robert S. Croll, voorzitter Raad van Bestuur vfonds

Inleiding Wimar Jaeger, Nederlands Dachau Comité

Biografie Willem Charles Jean Marie ‘Bib’ van Lanschot Monique Houben - van Lanschot

 Herinnering aan Dachau door Ed.Hoornik Frank Houben, bestuurslid Vriendenkring Oud Dachauers

 Dachaulezing: “Waartegen verzet ik mij eigenlijk?” Prof. Mr. Jaap de Hoop Scheffer hoogleraar internationale betrekkingen en diplomatieke praktijk, Universiteit Leiden

 “Als wij niets doen”: uit Soldaat van Oranje – De Musical Muzikale afsluiting door de cast van Soldaat van Oranje

 


BorstBeeldIMG 5558

 


Welkom

IMG 5571

Robert S. Croll, voorzitter Raad van Bestuur vfonds

Wat een eer dat het vfonds vanmiddag de Dachau-lezing 2018 mag openen. Onderliggende reden is natuurlijk dat de RMWO Willem van Lanschot vanmiddag “In de Hoofdrol” speelt, zoals Good Old Mies Bouwman het zou uitdrukken. Van Lanschot is onze linking pin. Misschien ook een beetje omdat ik tijdelijk de rol mag vertolken die Van Lanschot enige tijd geleden jaren lang en met verve heeft vervuld, namelijk het voorzitterschap van zijn “Loving Baby”, de SFMO, inmiddels omgedoopt in Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg.

Willem van Lanschot, Bib voor zijn vrienden, vooreerst reserve officier en na de demobilisatie verzetsstrijder, opgepakt door de Duitsers en gevangen gezet in het Oranje Hotel in Scheveningen, getransporteerd naar Natzweiler als Nacht und Nebel Häftling, tegen het einde van de oorlog POW in Dachau. Na de oorlog vooral Grand Seigneur van het veteranen wereld, niet slechts in Nederland maar World-wide pleitbezorger voor de veteraan zonder wie de vrede er nog niet zou zijn geweest. Van Lanschot was in meer dan in één opzicht:

The right man, on the right place, in the right time.

Immers, naast de zojuist opgesomde hoedanigheden was Van Lanschot ook: oprichter en voorzitter van de BNMO, oprichter en voorzitter van “Doorn”, thans De Basis genaamd, oprichter en voorzitter van de World Veteran Federation, oprichter en voorzitter de SFMO, nu het vfonds genaamd, ... .

Het vfonds, waar komt dat vandaan, waar staan wij nu en waar gaan wij heen?

5 mei en 15 augustus 1945, het Koninkrijk der Nederlanden was bevrijd. Opeens kende Nederland een fenomeen dat zij sedert 1813 niet meer had gekend, namelijk veteranen. Militairen en verzetsstrijders die in de oorlog gewend waren geraakt om bij wijze van spreken met een geweer in hun handen te lopen, liepen nadien opeens met lucifers langs de deuren om die te verkopen, … voor het goede doel, … voor hun gekwetste kameraden. En aan dode veteranen en verzetsstrijders was Nederland nog helemaal niet toe; Oorlogsgravenstichting moest überhaupt nog worden opgericht.

Van Lanschot was als voorzitter BNMO een van die visionairs die de Giro Loterij heeft opgericht samen met het Prins Bernhard Vliegtuigfonds, het Rode Kruis, het Koningin Juliana Fonds en Stichting Katholieke Noden. Daarmee heeft hij op een zeer succesvolle manier geld, … heel veel geld geworven om daarmee een taak te vervullen die eigenlijk de NL overheid had moet uitvoeren. Alleen, wederopbouw had op dat moment meer aandacht. Daarmee was de SFMO geboren, louter van-, voor- en door Veteranen. Hebben militairen eenmaal de noodzakelijke en bittere strijd gevoerd en is de vrede herwonnen, dan mag hun inzet, moed en offers niet worden vergeten. Oud Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht Lt.gen.Klu John Maas bedacht daarom naast het 1ste taakveld van “Erkenning, waardering en verzorging van veteranen” een tweede taakveld: “Herinneren, herdenken, gedenken, lessons learned en vieren”. Kort gezegd: de doelstelling van het Nationaal Comité 4 & 5 mei.

Ca. 15 jaar geleden, in de tijd dat mevr. Houben-van Lanschot in de NB toen nog vijftien man tellende Raad van Bestuur van de SFMO zat, brak het maatschappelijk besef door dat er een Veteranenwet moest komen. Wat de SFMO tot op dat moment met verve deed, viel dus eigenlijk onder de werkgeversplicht van Defensie. SFMO heeft op die verandering van maatschappelijk inzicht ingespeeld door zich aan te passen. Wij ontvingen in die tijd meer geld dan wij konden besteden, onder andere nu Defensie beloofde haar werkgeversplicht serieus ter hand te nemen. Oppotten was geen optie want maatschappelijk niet aanvaardbaar. Daarmee kregen wij meer ruimte in onze begroting. En U weet, met geld is het ’t zelfde als met mest; als je het op een hoop gooit gaat het stinken, maar als je het verstandig verspreidt, dan maakt het ’t land vruchtbaar. Daarmee was het inzicht geboren dat er nog een derde taakveld bij moest komen: “Vrede, democratie en (inter-)nationale rechtsorde”.

Het mooie van deze twee nieuwe taakvelden is dat het zo naadloos aansluit op het belang van veteranen. Het ligt als het ware in het verlengde van datgene waar Nederlandse militairen, verzetsstrijders maar ook de huidige op missie gestuurde militairen het voor hebben gedaan. Mensen zijn nu eenmaal van nature geneigd tot agressie, het maken van ruzie en zelfs oorlog. Komt de internationale rechtsorde in gevaar, of nog erger wordt de vrede verstoord, dan staan de militairen onder ons op. Dachaulezing 2018, In het licht van Bib van Lanschot, Nederlands Dachau Comité BNMO gebouw, Stichting de Basis, Doorn 6 Hebben zij hun taak volbracht, dan moeten gesneuvelde militairen en verzetsstrijders worden begraven, herinnerd en herdacht, … gekwetste militairen verpleegd, verzorgd en geëerd. Eigenlijk kwam het vfonds er pas kortgeleden achter dat ons derde, jongste en in financieel opzicht nog het kleinste taakveld het meest belangrijke is; “awareness” om het met een mooi Nederlands woord te zeggen, … daar is het ’t vfonds allemaal om te doen. Ga maar na, … wilt u oorlogsgraven? Willen wij veteranen, gelaedeerde- en met PTSS behepte militairen? … Ten diepste natuurlijk niet. Maar de realiteit van alle dag leert ons dat “mankind” hardleers is, dat wij van nature hebberige, ruziezoekers zijn, die bovendien gemakkelijk vergeten. Eigenlijk hebben wij pas door wát wij hebben … op het moment dat wij het hadden; ga maar na: jeugd, gezondheid, … maar ook vrijheid, stemrecht, democratie, vrijheid te mogen worden wie wij zijn. Wij, althans in NL/EU, leven op een roze wolk; natuurlijk gun ik iedereen een prachtig leven in alle vrijheid, maar wij zijn geneigd om over datgene wat aan onze voeten ligt heen te kijken.

Daarom moet de jeugd worden onderwezen waarom het in het verleden zo ging en hoe het in de toekomst beter kan. Immers, “Wie zijn geschiedenis niet kent, is gedoemd het andermaal te ondergaan”. Daniel Liebeskind, een groot architect uit de VS gaat in Amsterdam de Wall of Names bouwen; de muur met de 108.000 vermoorde Joden, Roma’s en Shinti’s. Vfonds sponsort dat met € 1 mio, waarvan een groot gedeelte zal worden besteed aan een educatieve component. Hij hield kortgeleden een lezing over zijn leven, zijn werk, … Hij besloot zijn lezing met het antwoord dat professor Mary Beard, Brits classica, hoogleraar Oude Talen (Ancient Literature) aan de University of Cambridge geeft op de vraag: “Why did Rome fall?” Rome: … de eeuwige stad, … van waaruit een rijk werd bestierd dat niet alleen onmetelijk groot was maar waarvan het ook leek dat het eeuwigheidswaarde had. “Why did Rome fall?” … Because of lack of interest, … in politics, in culture, in architecture, in games, … then you’re bound to fall!”

Vfonds stelt zich dus ten doel mensen in onze maatschappij bewust(er) te maken van die aspecten die drager zijn van onze vrijheid, onze cultuur, onze democratische rechtstaat, waarbij ik niet nalaat te zeggen dat het vfonds er onverstandig aan zou doen als het weg zou stappen van zijn oorsprong: veteranen. Immers, iemand die de grond waarin zijn wortels staan niet meer herkent, zal sterven. Maar het ‘vechten’ voor onze fundamentele vrijheden en de democratische rechtstaat is evenzeer belangrijk. Dat is intussen volwaardig werk geworden van ons allemaal. Dat gaat verder dan bezoekjes aan de Nachtwacht.

De geschetste levensloop van het vfonds geeft aan dat het vfonds een organische structuur heeft; wij zijn veranderd, wij zijn gegroeid.

Il Gattopardo / De Tijgerkat, een mooi boek dat de Principe de Lampedusa ooit schreef, beschrijft de overgang van het eeuwen oude landgoed en het gelijknamige eiland in de Middellandse Zee, van de ene generatie op de volgende. De oude vorst geeft -geloof ik- zijn neef een goede raad mee: “Als je alles bij het oude wil houden, ... dan moet je veranderen”. Een mooiere en meer ware contradictie bestaat nauwelijks! Het vfonds heeft deze wijsheid en goede raad ter harte genomen.

Misschien is het vfonds wel heel anders geworden dan Van Lanschot voor ogen had. Wij werken samen met AZ en VWS aan 75 jaar bevrijding in 2019 en 2020, hebben het initiatief genomen voor- en investeren in de Nationale Veteranenbegraafplaats, ondersteunen de INVICTUS Games die mede door onze toezegging in 2020 naar Nederland komen, …

Ik hoop en bid dat Van Lanschot nu … vanaf een wolkje op ons neerziet en met een milde glimlach rond de mond trots is op zijn SFMO van weleer. Hoe dat ook zij, hij heeft een stevig fundament gelegd. Alleen met dat fundament konden wij doen wat wij hebben gedaan en zullen blijven doen.

Wij doen dit om onze vrijheid te bewaren en te behouden; die vrijheid is ons Nederlanders lief; de 98-jarige, Engelandvaarder Eddy Jonker citeerde in een speech eens Julius Caesar: Teutonen gaan voor de macht, Galliërs voor de eer. En Batavieren? … Batavieren gaan voor de vrijheid. Maar wij moeten daar dan wel wat voor doen; niet slechts in ’40-’45, maar ook nu en ook morgen.

Ik dank U voor uw aandacht. 


Inleiding

IMG 5583

Wimar Jaeger, bestuurslid Nederlands Dachau Comité

Op 29 april 1945 werden de poorten geopend van het concentratiekamp Dachau. De Amerikaanse Rainbow en 7th Division beëindigden op die dag een periode van ruim 12 jaar politieke gevangenschap en onmacht met ontstellende gevolgen: 200.000 gevangenen en 41.566 doden. Een van de overlevenden was Bib van Lanschot, ongevraagde verzetsheld en slachtoffer, die zijn ondernemende, bancaire en fondsenwervende talenten inzette opdat het lot wat hem en zijn vele omgekomen kompanen getroffen had, in de toekomt niemand meer zou treffen. Een boodschap die nog altijd de waarden van het Nederlands Dachau Comité illustreert.

Wij kennen van Lanschot als ondernemende organisator achter de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO), fondsenwervingsorganisaties zoals de voorganger van de Bank Giro Loterij en het vfonds. Bib was een doener die handen en voeten gaf aan het gedachtegoed van “dat nooit weer”. Een man die enerzijds de zorg om overlevenden van oorlog en geweld een betere plaats gaf en anderzijds handelde vanuit de overtuiging dat je tegenstanders moet opzoeken en kijken welke, vaak culturele, zaken een band of brug kunnen vormen.

Individuele moraliteit

Met de Dachaulezing brengt het Nederlands Dachau Comité jaarlijks ideeën, overtuigingen en gedachten van slachtoffers en overlevenden van het concentratiekamp Dachau in relatie tot ons denken over oorlog en vrede. Dat gedachtegoed gaat in deze tijd in de kern over de individuele moraliteit van mensen, die zich uit in menswaardig gedrag en een menswaardige benadering van anderen. Menswaardig handelen vraagt om innerlijke doorleving van moraliteit door ons allemaal. Het Nederlands Dachau Comité wil stimuleren dat mensen over hun individuele moraliteit nadenken.

 Vijf IJkpunten voor “dat nooit weer”

Dit jaar is gekozen voor Bib van Lanschot. Hij zette zijn gedachten en overtuigingen om in daden en doorzettingskracht, gericht op de ondersteuning aan veteranen en de dialoog over vrede. Van Lanschot past bij de vijf dragende ijkpunten van het Comité, die het best worden verbeeld door hun slachtoffers uit de Tweede Wereld oorlog:

• de kwetsbaarheid van vrijheid, zichtbaar in de slachtoffers van politiek geweld;

• de onuitwisbaarheid van oorlogsgeweld gesymboliseerd door de omgekomen militairen;

• de onrechtvaardigheid van discriminatie, verbeeld door zij die vermoord werden op grond van etniciteit en geaardheid; • de willekeur van geweld met burgerslachtoffers als symbool;

• de universaliteit van geweld verbeeld door de oorlogsslachtoffers in Azië.

Bib van Lanschot representeert met name de eerste twee ijkpunten. Als militair zette hij zich een leven lang in voor de verzachting van de onuitwisbaarheid van oorlogsgeweld. Als verzetsman kwam hij op voor de kwetsbaarheid van vrijheid. Van Lanschot liet zien dat pas op het moment dat we onze eigen onzekerheid en kwetsbaarheid durven te onderkennen, we open staan voor anderen.

Slijpen van ons moreel kompas

Dit jaar is uitgeroepen tot het Jaar van Verzet. Dit thema wordt ingekleurd door de lezing van de voormalig secretaris generaal van de Navo, Jaap de Hoop Scheffer. De noodzaak tot bespreking van het thema ‘verzet’ lijkt steeds meer toe te nemen. Niet alleen omdat toenmalige verzetsactiviteiten verworden tot spannende verhalen vol geheimzinnigheid en heldendom, maar ook omdat het begrip verzet gerelateerd aan de huidige tijd vraagt om een nieuw perspectief. De vraag ligt voor of we verzet in de Tweede Wereld Oorlog in de toekomst uitsluitend zullen zien als een goede morele keuze in de geschiedenis, of dat verzet ons de weg wijst in onze morele overwegingen van vandaag.

Verzet hernieuwen

Als organisatie kennen wij als geen ander de geschiedenis van verzet in de Tweede Wereld Oorlog. De geschiedenis gaf onze slachtoffers en overlevenden hun gelijk. Hoe cru het ook is om te zeggen, maar het hoe van de boodschap van de oorlog gaat niet over degenen die stierven, maar over hen die overleefden, die herinnerden. Datzelfde geldt voor het begrip ‘verzet’. Niet de gevallenen maar degenen die overleefden en de generaties daarna bepalen de wijze waarop wij nu naar verzet kijken. Het is begrijpelijk dat het gelijk van de geschiedenis en de herinnering van overlevenden maken dat verzet nu gaat over heldendom tegen onwaarschijnlijke ontberingen. Over overtuiging, kracht en doorzettingsvermogen. Maar daarmee wordt vergeten dat het misschien juist ook moet gaan over hoe het toen voornamelijk was. De toevalligheid, de consequenties en het lijden. Daarmee dreigt verzet uit de Tweede Wereld Oorlog omgebouwd te worden tot een begrip van een bewuste bereidheid om de meeste ultieme consequentie, zijnde de dood, voor principes over te hebben. Het is de vraag of die omschrijving ons een relevante leidraad geeft voor de invulling van het begrip verzet in de toekomst.

De omgang met vrees

Bib had daar, net als velen van zijn eerste generatie kompanen, een duidelijke mening over. Juist uit de overtuiging dat de dood door verzet niet voor niets mag zijn geweest. Het ging niet om het heldendom; het ging hem achteraf om de omgang met vrees. De relatie tussen de mate waarin je als mens je persoonlijke vrees overwint, om iets dat je persoonlijk tegen de borst stuit te doen stoppen. Als geen ander wist van Lanschot dat zijn verzet ingevuld was door een stapeling van opvolgende gebeurtenissen, die om een reactie vroegen. Bib handelde in een tijd waarin zijn overtuiging bepaald niet aan de winnende hand was. Wetende dat er risico’s waren, maar onbekend met de impact en de stapeling van de mogelijke gevolgen van die risico’s. De les van van Lanschot is dat verzet geen alomvattend wilsbesluit is maar een fundamentele drijfveer door de tijd heen, gecombineerd met een iedere keer opnieuw overwinnen van je angst voor de situatie waaraan je jezelf bloot stelt.

Generaties

De eerste generatie verzetsoverlevenden droeg ervaringen over in de hoop dat toekomstige generaties iets met die ervaringen zouden doen. De tweede generatie bracht het begrip verzet in relatie tot de vraag “wat zou ik hebben gedaan”. Vanuit ouderlijk voorbeeld en een direct tastbare belevingswereld was de opoffering en pijn moeilijk te dragen. Het heldenbeeld verlichtte de zwaarte van die last. De vraag van de tweede generatie bleef vaak hangen in de persoonlijke verhouding tot verzetsdaden van toen. Het leed gaf nog te weinig ruimte om een toekomst te geven aan ervaringen uit het verleden.

Waardigheid niet onderbelicht

Inmiddels wordt het begrip verzet steeds minder geassocieerd met het opkomen voor de waardigheid van de ander en steeds meer bekeken in het licht van handelen voor het eigen belang. “Ik verzet mij tegen de manier waarop ik behandeld word.” Natuurlijk moet je voor jezelf opkomen, maar de vraag over de relatie tussen verzet van het individu en de waardigheid van de ander mag niet onderbelicht raken. Het begrip verzet vraagt om hernieuwde aanscherping en betekenis, in het licht van het opkomen voor de waardigheid van de ander, zoals daar in essentie ook sprake van was bij het verzet in de Tweede Wereld Oorlog. Het feit dat 2018 in het teken van het begrip verzet staat toont de hernieuwde belangstelling van een hedendaagse invulling aan.

Wat is verzet?

Wat weten we zeker als het om verzet in de Tweede Wereld Oorlog gaat? In ieder geval dat veel mensen zich verzetten zonder de consequenties van hun keuze te kennen. De grootvader van mijn vrouw was ervan overtuigd dat de autoriteiten hem misschien wel zouden straffen voor zijn sabotage pogingen, maar de consequentie: Amersfoort, Buchenwald, Gross Rozen, Dachau en de dood, was een volstrekt onvoorzien gevolg voor hem, zijn vrouw en 7 kinderen. Dat bleek ook uit de overtuiging dat een relatief makkelijk te slagen vluchtpoging tijdens een tramrit langs het eigen huis, niet ondernomen werd, omdat daarmee “de verdenking alleen maar erger zou worden”.

Verzet, als begrip gerelateerd aan de Tweede Wereld Oorlog, is het opkomen voor de waardigheid van mensen als deze in het geding komt, ongeacht de persoonlijke consequenties. Verzet is tegenstand bieden aan maatschappelijke ontwikkelingen, die de basis van gelijkheid en vrijheid aantasten. Vanuit een intrinsieke motivatie om op te komen voor collectieve waarden van menselijkheid. Niet uit liefde voor verheven waarden maar omdat je geweten het je zegt. Het geweten, “die hoogstpersoonlijke intellectuele en ethische bloedvaten en kringspieren”, zoals de verzetsstrijder en hoogleraar criminele sociologie Nagel eens zei. In het natuurlijke gevoel van betrokkenheid bij de medemens ligt misschien wel de essentie en het begin van alle moraliteit. De kwetsbaarheid van de ander durven zien, als het meest sprekende deel van het weerloze dat ieder mens in essentie is, is misschien de basis van die moraliteit. In een samenleving waarin men ophoudt verantwoordelijkheid te nemen voor de ander, is de menselijke waardigheid immers gedoemd verloren te gaan.

Omgaan met verzet

Bib van Lanschot was niet alleen de drager van zijn eigen verzet maar richtte zich in zijn leven daarna ook nadrukkelijk op degenen die zich verzet hadden. Wat hij na de oorlog deed, hield vaak verband met zijn verzetsverleden. Hij voelde een sterke verplichting tegenover de relaties van kameraden die minder fortuinlijk waren geweest dan hij. Dat stemt tot nadenken. Want niet alleen de vraag of en hoe wij onszelf zouden verzetten is relevant, misschien nog wel belangrijker is de vraag hoe wij omgaan met anderen die zich verzetten. Steunen we of draaien we liever het gezicht weg? Vangen we kritische journalisten en schrijvers van dictatoriale regimes op, steunen we verzet in oorlogsgebieden, bekritiseren we autocratische ontwikkelingen in Turkije en China, of houden we ons afzijdig? Zijn we bereid consequenties te aanvaarden als mens en samenleving om degenen die zich verzetten te steunen, of is onze eigen welvaart te kostbaar om verzet te steunen?

Ondanks ruwere tijden leven we in Nederland nog steeds in de gewetensvolle gedachte van “dat nooit weer”. Om dat zo te houden blijft de vraag naar onze persoonlijke verhouding tot verzet belangrijk. Daarom roept het Nederlands Dachau Comité ieder individu op stil te staan bij het begrip verzet, dat van toen en dat van nu. Het besef van verantwoordelijkheid voor de ander kan daarbij een begin zijn voor het denken over de actuele betekenis van verzet. Die gedachten zijn altijd persoonlijk, hebben altijd een eigen invuling. Wij geven dan ook geen antwoord op de vraag hoe een mens zich tot verzet moet verhouden. Nadenken daarover scherpt de persoonlijke moraliteit en dat alleen al vormt de basis voor en menswaardiger kijk op wereld om ons heen.

We zullen onszelf onder de loep moeten nemen. Ook in de voorgaande jaren riep het Nederlands Dachau Comité op tot persoonlijke moraliteit. Verzet kleurt de abstractie van moraliteit in, geeft ons handvatten om na te denken over wat we zelf zouden doen. Verzetten we ons door de oorzaken van escalatie te benoemen? En hebben we daarmee een antwoord dat bijdraagt aan de-escalatie? Verzetten wij ons door mensen op te vangen, die zich verzetten daar waar de waardigheid van mensen wordt geschonden? En leveren we daarmee een bijdrage aan de dialoog om menswaardigheid te verdedigen op plaatsen waar dat niet vanzelfsprekend is? Verzetten we ons tegen personen en regimes die menselijkheid met voeten treden? En brengen we daarmee vrijheid en gelijkheid dichterbij? Onze opdracht is om net als Bib van Lanschot niet alleen te reflecteren op gebeurtenissen, maar te handelen op basis van persoonlijke moraliteit. Ook vandaag. Dan doen we waar we voor zijn opgericht: dat nooit weer. 


‘Je bent pas verslagen, als je het zelf opgeeft’

IMG 5612

Biografische notities over Willem Charles Jean Marie ‘Bib’ van Lanschot Door Monique Houben- van Lanschot, dochter van Bib van Lanschot

Betrokken bij het Verzet, de Ondergrondse Inlichtingendienst, werd mijn vader, Willem van Lanschot (1914-2001), in 1942 te Leiden gearresteerd en naar het Oranjehotel in Scheveningen overgebracht. Hij zei: ‘Toen de celdeur zich achter mij sloot, moest ik een beslissing nemen. Vocht ik voor mijn eigen leven of vocht ik - met Gods hulp - voor een hogere zaak?’

Nog kon mijn vader niet weten wat hem te wachten stond, maar zijn adagium werd: je bent pas verslagen als je het zelf opgeeft.

Verzet

Geboren in 1914 bracht hij zijn jeugd door op Maurick te Vught, waar zijn vader burgemeester was. Het waren onbezorgde jaren maar wel met een schaduwzijde: zijn vader stierf toen hij negen jaar oud was. Sindsdien koos hij ervoor als ‘Bib’ door het leven te gaan, de bijnaam die zijn vader hem gaf.

Weinig leek een onbezorgde toekomst in de weg te staan. Midden jaren dertig, na zijn eindexamen, hoorde mijn vader tijdens een rondreis door Europa in Neurenberg ene Hitler spreken. Ik citeer: ‘De rillingen liepen me over de rug. Niet zozeer om wat Hitler zei of beter gezegd schreeuwde, als wel door de verbeten en hysterische gezichten van zijn toehoorders. Ik was geschokt en dacht hier komt oorlog van.’

Terug in Nederland besloot mijn vader om - na zijn opleiding van de School voor Reserve Officieren der Cavalerie te Amersfoort - beroepsofficier te worden en meldde zich aan bij de KMA in Breda.

Als jong luitenant keerde hij vervolgens terug naar Amersfoort, naar het Eerste Regiment Huzaren. In die tijd leerde hij Prins Bernhard kennen, die daar een training volgde. Eind 1939, tijdens de algehele mobilisatie, vertrok Bib naar Oisterwijk, waar hij verbindings- en inlichtingenofficier werd bij de staf van de Lichte Brigade.

Ik citeer: ‘In de nacht van 9 op 10 mei was ik officier van dienst. Je hoorde Duitse vliegtuigen overkomen, die de vliegvelden in de randstad gingen bombarderen en parachutisten kwamen droppen. We kregen de opdracht in colonne naar het westen op te trekken om een tegenaanval in te zetten op de Duitse para’s, die net de Moerdijkbrug hadden veroverd. We trokken gemoedelijk op. Er liep zelfs een jongen met een ijscokar mee. Plotseling verschenen de Stuka’s. De jongen met zijn ijscokar werd meedogenloos neergemaaid. Het was de eerste dode die ik zag. Ik was ontzet en weet nog dat ik dacht: ik moet hier weg, dit is waanzin, maar dan denk je: van Lanschot, je hebt een paar sterren op je kraag, je kunt niet weglopen. Voor het eerst werd ik geconfronteerd met het gegeven: moed is de overwinning van vrees. Ons doel was Dordrecht, dat al voor de helft in Duitse handen was. Daar zagen we het afschrikwekkende bombardement op Rotterdam. In deze ongelijke strijd waren wij verloren. De capitulatie van het Nederlands leger was onvermijdelijk.’

Bib van Lanschot ging in Leiden rechten studeren, maar gebruikte zijn studie meer als dekmantel. Binnen het Leids studentencorps vormde zich al snel een groepje oud-officieren, die een eerste aanzet gaven tot georganiseerd verzet. Zo raakte Bib betrokken bij de Ondergrondse Inlichtingendienst en nam de leiding van de toenmalige Ordedienst. Hij had contact met uit Engeland gedropte agenten en gaf op zijn beurt berichten door naar Londen.

In april 1942 werd Bib verraden en in Leiden gearresteerd. In het Oranjehotel te Scheveningen kreeg hij ‘strenge Einzelhaft’ opgelegd. De SD onderwierp hem aan een ‘Dauervernehmung’, een non-stop verhoor van honderd uur. Na afloop werd hij gesleept naar een ‘Dunkelzelle’. Ik citeer: ‘Daar heb ik veertien dagen als een zwijn in eigen drek gelegen, naakt op een cementen vloer. Toen kwamen drie figuren in uniform binnen, die meedeelden dat ik de volgende morgen terechtgesteld zou worden. Zo heb ik mijn laatste nacht beleefd, maar wist me in Gods hand. De volgende ochtend ben ik geboeid in een auto gezet en naar de duinen gereden en weer teruggebracht naar de strafgevangenis. De martelingen gingen door. Hete en ijskoude douches volgden om je een ‘Nervenbruch’ te bezorgen en dan alles zou vertellen. Ik hield mijn tanden stijf op elkaar en heb geen woord meer gezegd.’

In deel 4 van de serie De Bezetting van Dr. Lou de Jong, waarin het verhaal van mijn vader is opgetekend, verklaart de Jong: ‘Om gelijk de heer van Lanschot deed, de verhoren te doorstaan zonder iets prijs te geven, daar was een bovenmenselijke kracht voor nodig; die kracht werd slechts weinigen geschonken.’ 15 In februari 1943 werd mijn vader op transport gesteld naar Haaren en begin mei naar Utrecht gebracht om terecht te staan voor het Feldgericht van de Luftwaffe. Hoewel de doodstraf was geëist, was als alternatief de zogenaamde N.N. Erlasz uitgevaardigd. Degenen die daaronder vielen, moesten in ‘Nacht und Nebel’ verdwijnen in aangewezen vernietigingskampen.

IMG 5597Natzweiler en Dachau

Via Durchgangslager Amersfoort kwam Bib van Lanschot in oktober 1943 aan in kamp Natzweiler, de hel van de Elzas. Hij zei: ‘Wij werden hardhandig ontvangen en ons werd toegesnauwd: “Hier komt men door de poort naar binnen, maar de uitgang is de schoorsteen van het crematorium.” Het werk in de steengroeve was onmenselijk zwaar. Het was koud, we hadden honger, we werden afgebeuld, mishandeld en moesten de ‘doden van de dag’ mee terugslepen naar het kamp, omdat het appel anders niet klopte. Natzweiler is niet bevrijd en daarom minder bekend geworden. Het kamp werd in september ’44 geëvacueerd. In beestenwagens werden wij naar Dachau getransporteerd.’

Een getuige van zijn aankomst beschreef het als volgt: ‘Hij kwam in sept.1944 naar Dachau, totaal verzwakt en uitgeput. Door zijn sympathiek en vlot optreden was hij hier spoedig eenieders vriend zowel van groot als klein. Later heeft hij als verpleger in het Revier heel veel mooi werk kunnen doen voor de zieken, door echte liefdevolle toewijding en grote hulpvaardigheid, voor eenieder die met hem in aanraking kwam.’

En in de woorden van Bib: ‘Dachau was berucht om de medische proeven, gedaan op gevangenen. Elke week moesten bij een appel twaalf gevangenen uittreden om als proefkonijn te dienen voor jonge SS-doctoren in opleiding. Iedereen wist dat uitverkiezing de dood betekende. De spanning was haast ondraaglijk. Honger, uitputting, vervuiling, maar ook besmettelijke ziekten als vlektyfus deed in de eindfase van de oorlog alsnog velen bezwijken. Ook ik raakte met vlektyfus besmet. Op 29 april 1945 om 17.20 uur vielen Amerikaanse bevrijders kamp Dachau binnen. Het moment van bevrijding was ongelooflijk. Het was drie jaar, twintig dagen, vijf uur en veertig minuten na mijn arrestatie in Leiden.’

Repatriëring van de Nederlandse politieke gevangenen bleek een zware opgave. Er werd nog gevochten, er heerste tyfus in het kamp en er waren geen transportmiddelen. 16 Door de Amerikanen werd mijn vader als lid van de kampstaf bij de repatriëring betrokken. Met een Amerikaans vliegtuig tot Brussel en vervolgens per auto kon hij naar Nederland vertrekken. Hij maakte zijn opwachting bij Minister-President Gerbrandy, die in Oisterwijk zetelde, om hem op de hoogte te stellen van de situatie in Dachau. Gerbrandy kon niets voor hem doen en verwees hem naar de Bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten. Op Het Loo aangekomen trof Bib daar ook zijn kampgenoot Pim Boellaard. Beiden werden opgenomen in de staf van de Prins en kregen de schriftelijke opdracht om de 650 Nederlandse politieke gevangenen uit Dachau te repatriëren. Met behulp van anderen heeft mijn vader een colonne kunnen samenstellen van een zestigtal vrachtwagens die vanuit Den Bosch richting Dachau vertrokken. De volmacht van de Prins gaf hem de mogelijkheid om daadwerkelijk een bijdrage te leveren aan de repatriëring vanuit Dachau.

Idealen als wapen

In opdracht van de Prins werd mijn vader na de oorlog hoofd van de Nederlandse Missie tot Opsporing Vermiste Personen, die bekend werd als de missie-Van Lanschot. In 1946 trouwde Willem van Lanschot zijn grote liefde Louky van Meeuwen. Zij kregen drie kinderen: Willem, Monique en Robbert. In oktober 1948 ontving mijn vader de Militaire Willemsorde voor moed, beleid en trouw. Een jaar later werd Ritmeester (tijdelijk Kolonel) van Lanschot afgekeurd voor militaire dienst. De concentratiekampen hadden hun tol geëist. Zijn verdere levensloop bracht hem bij Philips en daarna bij de Bank van Lanschot, eerst als firmant en tenslotte als president-commissaris.

Dankbaar dat hij het leven had mogen behouden, is hij zich altijd blijven inzetten ten behoeve van veteranen en militaire oorlogsslachtoffers en in het belang van vrede en vrijheid ‘opdat onze kinderen dit leed bespaard blijft’. Of zoals Bill Minco, oud-Dachauer, dat toepasselijk verwoordde in zijn boek Koude voeten: ‘Ik moest nog iets volbrengen en proberen aan de gemeenschap iets bij te dragen vanuit de noodzaak mij te blijven verzetten tegen onrecht en verontmenselijking, ook uit plicht t.o.v. de velen, die dat zelf niet meer konden.’

Vaak verliep de weg van Bib langs onontgonnen paden. Als voorzitter van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) heeft hij gedurende een lange periode de belangen van de leden, hun partners en nabestaanden mogen behartigen in een tijd dat Nederland politiek, sociaal en economisch in wederopbouw was.  De BNMO zelf was weer één van de oprichters van de World Veterans Federation (WVF). Tientallen jaren was Bib als chairman nauw betrokken, indachtig haar credo: ’None can speak more eloquently for peace than those who have fought in war.’

De Stichting Fondsenwerving Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers en aanverwante doeleinden (SFMO), rechtsvoorganger van het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg (vfonds), lag mijn vader na aan het hart: bruggenbouwer vanaf het eerste uur, visionair bestuurder in lengte van jaren.

Bib was voorzitter van het Nationaal Comité Verzetsherdenkingskruis. In 1980 werd het voorstel van dit Comité door het Kabinet aanvaard en verwezenlijkt. Toenmalig minister-president van Agt lichtte dat als volgt nader toe: ‘Zo kwam, decenniën na de bevrijding in 1944/1945, het Verzetsherdenkingskruis tot stand. Om eerbied en waardering te betuigen aan al die mensen die in de donkerste periode van onze geschiedenis deden wat hun hand te doen vond en hun geweten gebood, (…) gedreven door de overtuiging dat zij zich teweer dienden te stellen tegen de aantasting van de meest fundamentele rechten en waarden.’ Aan ruim vijftienduizend oud-verzetsstrijders werd het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

Ook was Bib initiatiefnemer van de ‘Groep van 19’, die uit humanitaire overwegingen de vrijlating van de nog levende ‘Twee van Breda’ bepleitten. Het leverde veel commotie op, maar uiteindelijk ging de Tweede Kamer in 1989 akkoord en werden zij vrijgelaten.

Na de oorlog is mijn vader niet alle leed bespaard. Zo verloren mijn ouders hun oudste zoon Willem op elf-jarige leeftijd, een dramatische gebeurtenis in onze familie. In stilte droegen zij dit grote verdriet.

Op 17 augustus 2001 stierf Bib, dierbare vader en grootvader, op 87-jarige leeftijd. Met idealen als wapen streed hij een leven lang voor vrede en vrijheid. Zoals veel anderen dat deden en nog altijd doen. Vrijheid wordt niet aangeboren. Zij moet veroverd worden, van generatie op generatie.

Bib van Lanschot ging ons daarin voor. Wij zijn hem dankbaar tot de dag van vandaag.


Herinnering aan Dachau door Ed.Hoornik

IMG 5625Frank Houben, kleinzoon van Bib van Lanschot,
bestuurslid Vriendenkring Oud Dachauers


Dachau………Nee, ik sta er niet meer mee op, ik ga er niet meer mee naar bed, en dromen doe ik er ook niet meer van. Maar het ís er, het hoort bij mijn bestaan.
Het is mijn diepste ervaring. Het is weg geweest zijn in de dood en daaruit als Lazarus zijn opgestaan. Dat is de kwintessens, even ongeloofwaardig als absurd. De feitelijkheden vervagen: de terreur, de honger, de luizen, maar die ervaring, dat dubbelvallen van de dood en leven herhaalt zich, ook vandaag nog.

Je loopt door de stad, je ziet jezelf in de etalageruiten, er is niets aan de hand, maar ineens heb je het gevoel dat het bestaan onder je weggetrokken wordt. De mensen die je passeren zijn dood net als jijzelf dood bent. Het duurt niet lang, een paar seconden maar, dan stap je weer terug in de tijd en in de werkelijkheid……

De rest zijn herinneringen, anekdotes, associaties. De Lagerstrasse ’s nachts. Het uittrekken van de colonnes. Eins, zwo, drei, vier…..Eins zwo drei vier. Het gezicht van een SS’er. De trap van een capo. Een dode vriend. Wij eromheen, vogelverschrikkers in streepjespakken, in het straatje voor de barak, kijkend naar dat dode lichaam dat geen lichaam meer was, maar een ding.

Anekdotes van jongens-onder-mekaar: oud-concentrationairs, die een eigen taal spreken. Over de SS-staat. Over heiligen en zwijnen. Over helden en lafaards. Gewieksten en onhandigen, samenhokkers en eenzelvigen. Over de vier stadia van de man die het opgaf: de ontmenselijking, de verdierlijking, het uitdoven, de dood. Over de soep, de overschep, de aardappel, die je hele leven was. Welke gek praat daar over menselijke waardigheid?

Geen sterker drang dan de drang tot zelfbehoud. Over de dingen waarvan we, drieëntwintig jaar geleden, in de roes van bevrijding, dachten dat ze voorgoed voorbij zouden zijn. Racisme, oorlog, honger en terreur……

Dáchten, ja……. maar de werkelijkheid was anders, ís anders.

Ik weet zeker dat het geen verschil maakt, of ik Dachau of de wereld zeg.

Of niet soms?

Uit: Verzamelde werken deel III, Ed.Hoornik


Dachaulezing

“Waartegen verzet ik mij eigenlijk?”

DeHoopSchefferIMG 5651

Prof. Mr. Jaap de Hoop Scheffer, hoogleraar Internationale Betrekkingen en Diplomatieke Praktijk Universiteit van Leiden.

“Welk verzet kies jij?” Het is een vraag die talloze race fietsende Mammils (Middle aged men in lycra en in mijn geval veel meer dan middle aged) elkaar stellen als ze hun weekendtochtje beginnen en weten dat ze heuvelop moeten. Dat verzet dient om het je gemakkelijker te maken tegen de heuvel of berg op te fietsen.

Bib van Lanschot en zijn medestrijders maakten het zich niet gemakkelijk; in tegendeel, zij kozen voor de moeilijke, risicovolle weg; ook een weg omhoog, net zoals die fietsers maar dan leidend naar een terugkeer van de beschaving die teloor dreigde te gaan als gevolg van een duivelse ideologie.

Wij hebben een herinneringsverantwoordelijkheid ten opzichte van deze mensen die de weg omhoog vonden en vaak de hoogste prijs betaalden. Die “wij” dat is uiteraard de steeds kleiner wordende groep die het nog heeft meegemaakt. Zij hebben deze oproep niet nodig. Zij staan zogezegd midden in de herinnering. Maar die “wij” dat zijn ook de generaties die het in de toekomst zonder directe overlevering moeten doen. Mijn generatie van enige jaren na de oorlog maar nog belangrijker, de generaties van onze kinderen en kleinkinderen.

Generaties die oorlogen, conflicten en mensenrechtenschendingen nooit van nabij hebben meegemaakt maar die slechts kennen van de televisie en van het scherm van hun smartphone of laptop. Gelukkig maar, denk ik met u. Het is hen tot nu toe bespaard gebleven.

Waar verzetten die jongere generaties zich eigenlijk tegen? Tegen het ontbreken van wifi op de camping? Zit het woord “verzet” in de betekenis van strijd tegen onrecht en barbarij nog in hun arsenaal van begrippen en –laat ik het mezelf en u niet te gemakkelijk maken- zit het nog in uw en mijn arsenaal? Of verliest het langzaam maar zeker zijn betekenis?

Ik herhaal: We hebben een “herinneringsverantwoordelijkheid”

De uniciteit en dus de onuitwisbaarheid van de nazi-ideologie en de daaruit voortkomende gruwelen kunnen niet genoeg worden onderstreept. Het gaat hier echter niet alleen om geschiedenis; het gaat evenzeer om de kwetsbaarheid van vrijheid nu: de bescherming van het ook anno 2018 dunne laagje vernis op wat wij onze beschaving plegen te noemen. Het gaat om het tijdig herkennen van en het verzet tegen aantasting van juist die waarden en verworvenheden -voor ons mogelijk te vanzelfsprekend geworden- waarvoor Bib van Lanschot en zovele anderen streden. Discriminatie, willekeur, racisme. Overdreven? Ik denk het niet.

Laten we niet al te ver van huis beginnen. Weet u het nog? Na twee allesvernietigende wereldoorlogen zeiden we hier tegen elkaar: “Nie wieder Krieg!” Europa moest een waardengemeenschap worden, vorm te geven in wat wij nu de Europese Unie noemen. Hoe zit het anno 2018 met die waardengemeenschap?

We pretenderen dat nog altijd wel, we waren blij dat in 1989 de Muur viel, Europa was nu immers eindelijk “whole and free”. Echter, Hongarije en ook Polen, Tsjechië en Slowakije laten ons heden ten dage zien dat we mogelijk te snel zijn uitgegaan van de worteling van wat wij universele waarden plegen te noemen.

Ik beschouw deze ontwikkeling op den duur als mogelijk meer ontwrichtend voor de toekomst van de Europese Unie dan de Brexit tragedie die wij op dit moment mee dreigen te maken. De EU is op het punt van niet gedeelde waarden anno 2018 meer breekbaar dan velen denken.

En ik herhaal: de erfenis van het verzet van Bib van Lanschot en zijn medestrijders tegen de nazi tirannie mag niet leiden tot een Europa dat hun erfenis verkwanselt. Dat zijn kernwaarden niet beschermt. Het Europa dat ik zou willen overdragen aan mijn kinderen en kleinkinderen dient de scheiding der machten in het vaandel te houden, de rechtsstaat te beschermen, een vrije pers zijn werk te laten doen en zijn burgers nimmer te beoordelen op ras, religie of seksuele geaardheid. Een reis door het huidige Europa leert u en mij dat de ambitie die ik zojuist uitsprak, niet in vervulling dreigt te gaan.

Hoe verhouden de jongere Europese generaties zich tot die kernwaarden?

Zijn zij bereid in verzet te komen tegen de aantasting ervan, als zij al tijd hebben erover na te denken in een wereld van sociale media waar de nuance, mild uitgedrukt, geen hoogtij viert?

Zij zijn immers opgegroeid en groeien op in een wereld waar conflicten en schendingen van mensenrechten aan de orde van de dag zijn maar ook met een enkele muisklik kunnen worden weggedrukt ten gunste van “ the Voice of Holland” dan wel de “Toppers”.

Ik zeg dit geenszins in verwijtende zin aan de generaties van de toekomst want zij worden net als u en ik geconfronteerd met wat wordt genoemd de “Paradox of Plenty”, de paradox van de overvloed. Dit is een van oorsprong economisch begrip, voor het eerst gebruikt door Richard Auty in 1993. Het zegt dat landen die over grote hoeveelheden grondstoffen beschikken, vaak minder economische groei, minder democratie en minder ontwikkeling doormaken dan landen waar grondstoffen schaarser zijn. Hij noemt dat de “resource curse”. (de vloek van het bezit van deze grondstoffen)

Als we deze theorie naar onze tijd van sociale media transplanteren, dan is de overvloed aan informatie vaak eerder een vloek dan een zegen. We vinden altijd wel een website waar we onze mening bevestigd zien. Ik betrap mijzelf ook weleens op een dergelijk surfgedrag. Nee, laat ik die site maar niet bezoeken want daar zijn ze het toch niet met mij eens. Of, nee, die andere ook niet want daar zie ik alleen maar ellende en vreselijke foto’s van door geweld verminkte kinderen. Aleppo, oost Ghouta, Afrin; ik zap even naar “Wie is de mol?”

Tel hierbij de discussie over fake nieuws, het gebrek aan respect voor feiten en het vaak teloor gaan van iedere nuance bij op en constateer met mij, dat het de jongere generaties niet gemakkelijk wordt gemaakt de erfenis van het verzet van Bib van Lanschot en zijn medestrijders te bewaken.

Een teken van hoop: Het Europese project waarover ik eerder sprak, kan bij de jongeren gelukkig nog altijd op brede steun rekenen. Wie weet krijgen ze alsnog een tweede kans in Groot-Brittannië. Een van mijn studenten, wonend in Engeland, stuurde mij na de uitslag van het Brexit referendum een WhatsApp met de tekst: “Beste Jaap, jouw generatie heeft gisteren mijn Europese toekomst bedorven”. Ik heb haar een app teruggestuurd met de tekst: “je hebt gelijk maar doe er wat aan! “In de terminologie van hedenmiddag: “kom in verzet!” Maar dat roep ik niet alleen tegen deze student op dit punt, ik zeg het ook tegen u en tegen mezelf. Waartegen moeten wij ons verzetten?

Allereerst tegen diegenen die ons willen doen geloven dat zij exclusief, “namens het volk” spreken en tegen diegenen die menen, en dat zijn soms dezelfden, dat je de medemens kunt reduceren tot een huidskleur of een ras. Als de geschiedenis hier niet langer leermeester is, dan moet hij het snel worden.

Laat het volgende in ons land en elders een les zijn:

Mijn witte huidskleur, mijn Katholieke geloof dan wel mijn Nederlanderschap maakt mij niet mede-verantwoordelijk voor alle daden waaronder wandaden die in de loop der geschiedenis door mijn voorvaderen zijn bedreven. Wij gummen die geschiedenis niet uit. Het is echter veel te gemakkelijk een oordeel te vellen over het verleden naar de maatstaven van het heden.

Naast de IJ-tunnel mag wat mij betreft de Coentunnel blijven bestaan.

Maar hoed u voor diegenen die op basis van huidskleur, religie of nationaliteit een beschermingswal wensen op te trekken die mijn zwarte, Joodse of Marokkaanse medeburger uitsluit.

Deze recent in dit land en elders in zwang geraakte zogenaamde identiteitspolitiek is de verkeerde weg, leidt tot nodeloze polarisatie en dient derhalve onderwerp van verzet te zijn in het Nederland en Europa van de 21ste eeuw.

Hiermee is niet gezegd dat multicultureel samenleven eenvoudig is en zeker niet dat onze Nederlandse maatschappelijk-culturele erfenis overboord kan. Cultuurrelativisme hoort evenmin in ons woordenboek. Onze cultuur en de manier waarop wij met elkaar omgaan is het meer dan waard gerespecteerd en waar nodig verdedigd te worden.

Namens het volk spreken, de “ondermens” op basis van ras of religie de dood injagen. De nazi verschrikkingen lijken lang geleden maar mogen in onze hoofden nimmer lang geleden zijn.

De verklaring van deze misschien cryptische zin ligt voor mij in het woord: “Geheugenverlies”. Geheugenverlies ligt namelijk op de loer omdat jongere generaties meer en meer zelf tot het besef zullen moeten komen waarom Bib van Lanschot en de zijnen tot hun verzetsdaden kwamen. Ik zei het al: het moment nadert snel dat mondelinge overdracht niet langer mogelijk zal zijn. 

Mijn moeder is nu 95 jaar oud en spreekt met haar kleinkinderen, onze dochters, inmiddels late dertigers, over de oorlog en het verzet. Het is opmerkelijk dat zij haar verhaal over Nederland en in haar geval Friesland tijdens de oorlog veel gedetailleerder vertelt aan haar kleinkinderen dan ze dat ooit aan mijn broer en mijzelf heeft gedaan. Op mijn vraag: “Waarom niet aan je eigen kinderen?” is het antwoord dat het “te vers” was en dat ze ons niet met deze zwarte periode wilde belasten.

Voor onze kinderen en later voor onze kleinkinderen is overigens niet alleen de vraag relevant: “Hoe ging dat toen, waarom gingen mensen in het verzet?” maar ook: “hoe verhoud ik mij daartoe?” “Waartegen zou ik mij verzetten of misschien beter gezegd:”moet ik mij verzetten?”, “Waar ligt mijn morele grens in de wetenschap dat verzet grote persoonlijke consequenties kan hebben voor mij, mijn naasten, mijn medeburgers, mijn land?”

Mijn land? ja mijn land. Stel: Ik ben een viersterren generaal (een hogere rang bestaat niet). Ik accepteer de aanwezigheid en de mogelijke rol van kernwapens. Ik krijg van mijn President de opdracht een kernwapen in te zetten zonder dat mijn land met een dergelijk wapen is aangevallen en zonder dat er in mijn ogen sprake is van “clear and present danger”, een imminent gevaar dat zo’n aanval zal plaatsvinden.

Ik ben uiteraard loyaal aan het politieke gezag want zo zijn militairen. Wat doe ik?

Kom ik in verzet, zal ik trachten mijn politieke baas van de inzet van dit alles vernietigende wapen proberen af te houden? Natuurlijk zal ik dat doen. Echter, hij persisteert en geeft me de opdracht te lanceren. Voer ik de order uit of verzet ik mij en saboteer ik het proces? Kernvraag:” Is mijn verzet gerechtvaardigd, legitiem?”

Mijn antwoord op deze vraag zou in dit scenario bevestigend luiden en dat klinkt goed en moedig hier in Doorn. Maar of ik persoonlijk een dergelijke verzetsdaad aan zou durven, weet ik niet. U mogelijk ook niet en dat is bepaald geen schande.

Laat mij de Ridders MWO van Lanschot en Tazelaar citeren die zich in het prachtige boek: “de laatste Ridders” uitspreken over de vraag van durf en angst. Bib van Lanschot zegt het kort en ik citeer: “Iemand die geen vrees kent heeft ook geen moed”. (einde citaat)

Tazelaar zegt wat uitgebreider en ik citeer wederom: “MWO-dragers worden gezien als helden. Nou, neem van mij aan, helden bestaan niet. Helden, dat zijn lieden die hebben geen enkele imaginatie of ze zijn gewoon te stom om bang te zijn. Maar de keren dat ik zo ongeveer in de gordijnen ben gekropen van pure angst, die zijn niet te tellen. Ha, ik tart ze, ik tart al die zogenaamde helden om te zeggen dat ze geen angst hebben gehad. Als ze van zichzelf denken dat ze moedig waren dan zeg ik: moed is niets anders dan beheerste angst”. (einde citaat)

Deze houding zou huidige en komende generaties kunnen helpen bij mijn eerder opgeworpen vraag hoe zij zich verhouden tot het begrip verzet in onze tijd. Neem ik het risico van de “klokkenluider” en stel ik misstanden aan de kaak in mijn organisatie of bedrijf in de wetenschap dat ik mijn positie en baan op het spel zet; Neem ik een uitgeprocedeerde asielzoeker op in strijd met de wet omdat ik het niet eens ben met een rechterlijke of bestuurlijke uitspraak. Deze voorbeelden staan, ik realiseer mij dat, niet in verhouding tot het tijdens de oorlog in huis nemen van een joodse familie of andere verzetsdaden maar de notie: “ik ben bang, ik weet niet hoe het afloopt maar moet dit toch doen”, blijft relevant.

Indien we de cirkel wat vergroten en de blik richten op de relatie tussen het begrip “verzet” en de internationale betrekkingen (tenslotte mijn vakgebied), zijn de vragen niet minder prangend. De internationale gemeenschap (die is niet anoniem, die zijn wij met zijn allen zelf) is niet consistent in zijn verzet tegen wat ik maar even te gemakkelijk samenvat met de term: “zeer ernstige misstanden”.

Misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, genocide.

Mijn loopbaan in het internationale veld heeft me voldoende realist gemaakt om te beseffen dat een rugzak met daarin slechts het geweten niet voldoende is voor het slechten van de muur van politiek dan wel economisch eigenbelang dat staten wensen te bewaken.

In Rwanda in 1994 keken we collectief de andere kant op toen in enkele weken meer dan 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden afgeslacht; in diezelfde 90er jaren van de vorige eeuw vonden we dat we “iets” moesten doen tegen marteling, geweld en verkrachting tijdens de Balkanoorlog.

We vergaten echter dat “iets” te definiëren en pas na de genocide in Srebrenica, die grote kras op onze nationale ziel, werd het “verzet” van de internationale gemeenschap serieus. Ik maakte als Tweede Kamerlid deel uit van de discussie en kijk daar met een knoop in mijn maag op terug. In Kosovo werd in 1999 massamoord en misschien wel een dreigende genocide voorkomen door wekenlange NAVO-bombardementen op Servische doelen. Niet legaal, wel legitiem Denk even aan de generaal die ik zojuist ten tonele voerde.

De Verenigde Staten trokken in 2003 Irak binnen maar hadden geen begin van een plan voor het vervolg. In Afghanistan was tijdens mijn NAVO-mandaat een meer dan 50 landen brede coalitie met meer dan 100.000 militairen aanwezig om te vechten tegen extremisme en wederopbouw mogelijk te maken. Toen het politieke draagvlak onder deze missie wegviel, vertrokken we, te vroeg.

Ik hoef alleen maar de landen Syrië, Yemen en Myanmar te noemen om met u te constateren dat we het daar cynisch gezegd “aan de strijdende partijen” overlaten.

Ook in deze internationale context waar diplomatiek en politiek verzet altijd voorafgaat en ook dient te gaan aan de inzet van militaire middelen zijn de morele dilemma’s dus groot en is verzet een best ingewikkeld begrip. Want laat ons niet te gemakkelijk denken over het naar conflictgebieden uitzenden van onze jonge mannen en vrouwen als uiting en instrument van ons verzet tegen missstanden en schendingen van mensenrechten: “ter bevordering van de Internationale Rechtsorde” zoals onze Grondwet dat formuleert.

En als we de blijvende ambitie houden om aan die rechtsorde bij te dragen, en ik ga daarvan uit, stuur dan onze mensen met het beste van het beste materieel op stap. Zij verzetten zich op hun missies immers namens ons om bij de terminologie van hedenmiddag te blijven. Je kunt niet een krijgsmacht vrijwel kapot bezuinigen en vervolgens van onze mannen en vrouwen verwachten dat ze vanuit hun grote loyaliteit elke klus wel kunnen klaren. Dit is een cri de coeur, zoals u die hopelijk van mij zult herkennen.

Geachte aanwezigen, op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog werd een wereldorde gebouwd bestaande uit op regels gebaseerde internationale instituties. Op regels gebaseerd om te voorkomen dat het recht van de sterkste zou overheersen. De Verenigde Naties zijn hiervan het meest sprekende voorbeeld. Ook de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zag het licht. Deze orde staat onder druk. Nieuwe zwaargewichten opponeren tegen de in hun ogen nog altijd te grote dominantie van het “westen” dat aan de basis stond van genoemde naoorlogse ordening van onze wereld. Zij gaan onder leiding van vaak autocratische leiders hun eigen gang en scheppen alternatieve, op hun eigen regels gebaseerde instituties.

Wij worstelen als “Westerlingen” met deze ontwikkeling omdat wij decennialang de dienst in de wereld hebben uitgemaakt en de door ons gekoesterde verworvenheden normaal zijn gaan vinden. Dat een machtige speler als China geheel andere opvattingen heeft over mensenrechten en die ook politiek wenst af te dwingen, is vanuit de Chinese historie en het eigen belang verklaarbaar.

Maar dat mag niet betekenen dat wij vervolgens wegduiken en ons verder niet verzetten tegen waarden die haaks op de onze staan. Ik heb niet de illusie dat we Peking en andere hoofdsteden snel zullen overtuigen van ons gelijk maar de handdoek op dit punt in de ring werpen is wel een erg gemakkelijke aftocht.

We nemen deze ontwikkelingen waar in een tijdperk dat ook in ons deel van de wereld het vertrouwen in de democratie lijkt af te nemen. David Brooks, columnist van de New York Times citeert in een van zijn recente bijdragen het boek: “The People versus Democracy” van Harvard Professor Yascha Mounk, ondertitel: “Why our freedom is in danger and how to save it.”

Mounk stelt dat met iedere nieuwe generatie het vertrouwen in de democratie daalt: 71 % van de in de dertiger jaren geboren Europeanen en Amerikanen beschouwen het als essentieel in een democratie te leven. Slechts 29% van de in de jaren 80 geboren generatie is deze mening toegedaan.

Van de Amerikaanse millenials denkt bijna een kwart dat de democratie een slechte manier is om een land te besturen en bijna de helft voelt wel voor een “krachtige leider”. Ik denk dat ik niet overdrijf, als ik herhaal dat ook in het Europa van vandaag met zijn eerdergenoemde “illiberale democraten” de u en mij zo vertrouwde orde behoorlijk onder druk staat.

IMG 5650Geachte aanwezigen. Ik heb hedenmiddag met u een korte reis proberen te maken, maar niet alleen “down memory lane” zoals dat zo mooi heet. Onze “herinneringsverantwoordelijkheid” naar wat er in de verzetsjaren van Bib van Lanschot gebeurde, is van belang maar het mag niet alleen de geschiedenis zijn die onze aandacht voor het thema “verzet” tot een imperatief maakt.

Wij dienen ons niet alleen af te vragen wat wij in die oorlogsjaren gedaan of niet gedaan hebben of zouden hebben. De vraag is ook hoe wij in onze huidige samenlevingen, op nationale en internationale schaal, de erfenis van diegenen die vochten tegen barbarij en voor een samenleving van tolerantie en respect, bewaken en bewaren. Het is een vraag die meer en meer op het bord van de jongere generaties zal komen te liggen. Het antwoord leidt nogal eens tot een verhit debat in een samenleving die multicultureel is. Daar kun je van alles van vinden maar het is een feitelijke vaststelling.

Ik pleit voor nuance en mildheid in dit overigens noodzakelijke debat. Ik realiseer me dat je in tijden van Twitter en andere sociale media of in een talkshow van onmiddellijke aandacht verzekerd bent als je direct voor een extreme positie kiest. Niet doen dus, niet alleen zenden maar ook ontvangen. Klinkt ouderwets, is urgent.

Ook op het internationale vlak is een erfenis te bewaken die verzet tegen aantasting ervan noodzakelijk maakt. Die nalatenschap bestaat uit een naoorlogse internationale orde die op regels is gebaseerd en een zekere balans mogelijk maakt tussen de groten en de kleineren. Die respect voor mensenrechten, politieke opvattingen en vrijheid van religie centraal stelt.

Dit stelsel bewaken is een grote opgave gezien de verschoven machtspanelen in de wereld van nu waar de politiek en militair sterken zich vaak niet veel aan die regels gelegen laten liggen. Mentale en morele compromissen zullen noodzakelijk zijn, vuile handen zullen moeten worden gemaakt. De rugzak en het geweten weet u nog?

Moge Dachau nu en in de toekomst een baken zijn om niet te vergeten dat beschaving geen product is dat is voorzien van een garantiebewijs maar “in het licht van “ Bib van Lanschot en zovele anderen permanent verdedigd moet worden.

Dank U.


 

“Als wij niets doen”, uit Soldaat van Oranje – De Musical Muzikale afsluiting door de cast van Soldaat van Oranje

soldaatVOIMG 5671 ‘ALS WIJ NIETS DOEN’

DENK JE SOMS DAT DIT ONS LEVEN NIET RAAKT? OF WACHTEN WE TOTDAT DE STORM OVERWAAIT? ONZE VRIENDEN KAPOT WORDEN GEMAAKT? KIJKEN WE TOE- TOT DE WIND WEER DRAAIT? NIEMAND VAN ONS HEEFT HIER OM GEVRAAGD MAAR DOEN OF JE NEUS BLOEDT? IS GODGEKLAAGD! WE ZITTEN TE SLAPEN- ONS HUIS STAAT IN BRAND EN JE KUNT NIET WEG! ‘T IS OVERAL! STEEK JE KOP NIET IN HET ZAND! ALS WIJ NIETS DOEN- WIE DAN? WE ZIEN TOCH DAT DIT NIET KAN? ‘T IS NU AAN JOU EN MIJ ONZE ENIGE HOOP ZIJN WIJ DENK MAAR NIET DAT DIT GERUISLOOS VERDWIJNT ‘T GAAT NIET WEG ALS JE JE OGEN MAAR SLUIT JE HOORT EN JE ZIET, MAAR JE ZWIJGT VOLG JE JE HART? OF RED JE JE HUID? WE KUNNEN NIET BLIJVEN DOEN OF DIT NIET BESTAAT WE VERGETEN DE REGELS- WE STELLEN EEN DAAD! ER ZIJN VEEL TE VEEL TRANEN! JE VOELT TOCH DE PIJN? ‘TIS NU AAN JOU - NU MOET JE ER ZIJN ALS WIJ NIETS DOEN- WIE DAN? WE ZIEN TOCH DAT DIT NIET KAN? ‘T IS NU AAN JOU EN MIJ ONZE ENIGE HOOP ZIJN WIJ VERSCHUIL JE NIET ACHTER JE HOGE EN VEILIGE MUUR JE MOET JEZELF VRAGEN: ALS DE WERELD IN BRAND STAAT WIE BLUST DAN HET VUUR? ‘T GAAT OVER JOU EN MIJ ONZE ENIGE HOOP ZIJN WIJ WE ZIEN TOCH DAT DIT NIET KAN ALS WIJ NIETS DOEN- WIE DAN?