Lezing titus IMG 2650 494x768
In het spoor van Titus Brandsma

Slachtoffers of martelaren? Onder die noemer heeft Jos Sinnema op 12 oktober een lezing gehouden in Bolsward.

Sinnema schetste eerst een beeld van de onzekerheid waarin de familieleden van gevangenen verkeerden, en vertelde daarna over de omstandigheden waaronder Nederlandse geestelijken in Dachau verbleven

 

 

 

In het spoor van Titus

lezing titusIMG 2645 1024x682
Slachtoffers of martelaren? Onder die noemer heeft Jos Sinnema op 12 oktober een lezing gehouden in Bolsward. De lezing sloot aan bij de tentoonstelling ‘In het spoor van Titus’ in het Titus Brandsma Museum. Behalve over Titus vertelde hij over de predikanten Josef Cohen en Jo Kapteyn, die eveneens in Dachau zijn omgekomen. Sinnema schetste eerst een beeld van de onzekerheid waarin de familieleden van gevangenen verkeerden, en vertelde daarna over de omstandigheden waaronder Nederlandse geestelijken in Dachau verbleven. Vervolgens zoomde hij in op Titus, Josef en Jo, en kwam hij uit bij de vraag hoe wij hen moeten zien (als slachtoffers of martelaren) en of wij ons door hen kunnen laten inspireren. Daarmee gaf hij het publiek een aanzet voor gedachtenuitwisseling.

 

 

de lezing:

Op 1 september 1942 werd er bij Hanneke Hinlopen in Amstelveen een brief bezorgd. Hoe zeer had ze naar die brief uitgezien. Het was een brief van haar man Meindert Hinlopen, predikant van De Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband in Amstelveen. Vanaf de kansel had hij kritiek geuit op de Jodenvervolging. En nu zat hij in Dachau.

Meindert mocht één keer per maand een brief naar huis schrijven. Alle post werd streng gecensureerd, maar deze brief was op de een of andere manier ongecensureerd uit het kamp gesmokkeld. Voorzichtig, er rekening mee houdend dat de brief kon worden onderschept, schreef hij in bedekte termen:

‘Hopelijk verdwijnt het oedeem bij je broer Maarten nu snel.’

Met ‘broer Maarten’ bedoelde Meindert zichzelf, en maakte hij Hanneke duidelijk dat hij ernstig honger leed. De brief ging verder met:

‘Ik begrijp hoe diep hij en Klaas en de andere vrienden getroffen zijn door Jans dood. Ik ken Jan nog uit mijn studententijd en uit Oud-Leusden. Hij was een trouwe getuige van Christus. Dat hij gezegd heeft dat hij naar huis zou gaan, naar Christus, heeft me diep geraakt. Zeker, als we onze aardse tent opbreken, krijgen we een nieuwe woning bij God in de hemel. Deze zekerheid geeft je, hoe het ook met je gaat, lust om te leven en moed om te sterven.’

Hanneke begreep wat Meindert haar tussen de regels door probeerde duidelijk te maken. In haar dagboek schreef ze:

‘Deze hele week bracht weinig bijzonders behalve een brief van Meindert op 1 sept. Gelukkig net voordat ik de mijne op de post had gedaan, waar ik zoolang mogelijk mee gewacht had, nu kon ik nog vragen beantwoorden. Hij schrijft de laatste woorden van ds. Kapteyn uit Groningen, kennelijk met de bedoeling dat ik die aan zijn vrouw zal doorgeven, wat ik ook deed en waar ze erg blij mee was. Het is ook het enige wat ze heeft: geen afscheidsbrief, geen begrafenis, niets. Hoe bitterzoet haar verdriet moet zijn.’

De laatste woorden van Johannes ‘Jo’ Kapteyn, dat hij ‘naar huis zou gaan, naar Christus’, getuigen van een ongebroken geloof en een rotsvast vertrouwen in God. Meindert interpreteerde het als een verwijzing naar 2 Korintiërs 5 vers 1, waar in de Nieuwe Bijbel Vertaling staat: ‘Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel.’

Dat Jo in Dachau was overleden, had zijn vrouw Thelma van Duitse zijde al vernomen. Sec, als een zakelijke boodschap. Rond dezelfde tijd moeten ook de nabestaanden van Titus Brandsma officieel bericht hebben ontvangen van zijn overlijden in Dachau op 26 juli 1942. En een paar maanden eerder bereikte Tine Cohen eenzelfde kort berichtje van het overlijden van haar man Josef Cohen, die predikant van De Nederlands Hervormde Kerk in Dokkum was.

Jo Kapteyn is in Dachau omgekomen door ernstige ondervoeding en zware lichamelijke uitputting. Hij stierf in het Revier, de ziekenbarak van het kamp, waar hij tegelijk met Titus Brandsma was opgenomen en waar Titus met een carbolzuurinjectie is vermoord. Josef Cohen stierf volgens het officiële overlijdensbe­richt dat zijn vrouw ontving ‘op 23 mei 1942 om 16.40 uur aan een longontsteking’. In werkelijkheid stierf hij al eerder. Op 4 mei 1942 werd hij vanuit Dachau afgevoerd naar Schloss Hartheim nabij Linz, in Oostenrijk. Hier werd hij – arbeidsongeschikt bevonden en door de SS als nutzloser Fresser beschouwd – waarschijnlijk nog diezelfde dag in een gaskamer vermoord.

Maar dat was in 1942 natuurlijk nog volstrekt onbekend. Familieleden van gevangenen in Dachau verkeerden vooral in grote onzekerheid. Hanneke Hinlopen onderhield contact met negen andere vrouwen van protestantse predikanten die in Dachau gevangen zaten. Ze deelden informatie met elkaar, zoals Hanneke na het overlijden van Jo Kapteyn met zijn vrouw Thelma deed. Ze hielpen elkaar met raad en daad, ze boden elkaar een luisterend en begripvol oor, en ze probeerden elkaar op te beuren. De vrouwen zochten elkaar zelfs een paar keer op, ook al woonden ze verspreid over het land. Op die momenten probeerden ze een welkom moment van ontspanning te creëren, al was de angst om het lot van hun geliefden natuurlijk nooit ver weg.

Na Thelma Kapteyn kregen nog drie vrouwen uit het groepje van tien predikantsvrouwen bericht van het overlijden van hun man, daar in het verre Dachau. ‘Wat gebeurt daar toch in Dachau?’ schreef Hanneke Hinlopen verontrust in haar dagboek.

Ja, wat gebeurde er eigenlijk, daar in Dachau?

 

Geestelijken in Dachau


In concentratiekamp Dachau, dat al op 22 maart 1933 in bedrijf ging, hebben ruim 200.000 mensen gevangen gezeten, onder wie 2147 Nederlanders.1 De meesten van hen waren opgepakt vanwege verzetsactiviteiten. Vaak kwamen ze er terecht na een lange tocht langs gevangenissen en andere concentratiekampen. Voor velen werd Dachau het eindstation: 539 Nederlanders zijn er omgekomen, 1040 werden er bevrijd.2

De eerste Nederlanders kwamen in 1941 in Dachau aan. Onder hen waren relatief veel geestelijken. Dat was omdat Himmler in 1940 verordend had alle geestelijken die zich in Duitse concentratie­kampen bevonden, moesten worden samengebracht in Dachau. Voor zover bekend – het werd niet standaard geregistreerd – hebben er in Dachau minstens 62 Nederlandse geestelijken gevangengezeten.3 Door de SS werden zij allemaal aangemerkt als ‘politiek gevangene’.

Toen Josef, Jo en Titus in Dachau arriveerden – Josef kwam er in oktober 1941 aan, Jo en Titus in juni 1942 – waren de Duitse en Oostenrijkse geestelijken ondergebracht in barak 26. Zij hadden het relatief goed. Ze waren vrijgesteld van werk en in hun barak hadden ze zelfs een kleine kapel mogen inrichten. Maar de geestelijken uit andere landen zaten samengepropt in de barakken 28 en 30. Zij hadden het juist zwaar te verduren. Voor de SS waren ze het mikpunt van spot en bungelden ze onderaan aan de kamphiërarchie. Ze werden tewerkgesteld in de zwaarste arbeidscommando’s. Veel geestelijken overleefden het regime van Vernichting durch Arbeit dat daar werd toegepast niet.

Kijken we naar de Nederlanders in Dachau als één groep, dan zien we dat één op de vier van hen in Dachau is omgekomen. Maar kijken we naar de geestelijken onder hen, dan ligt dit op één op de drie. Alleen de Joodse Nederlanders in Dachau werden nog harder getroffen. Zij kwamen vrijwel allemaal eind 1944 tot begin 1945 in Dachau aan, toen Auschwitz werd ontruimd omdat de Russen dit kamp naderden. In Dachau werden ze bijna allemaal naar de gruwelijke buitenkampen Kaufering en Mühldorf gestuurd. Van hen is één op de twee omgekomen.4

Overigens kregen de Nederlandse geestelijken het na het bijzonder zware jaar 1942 beter. Dat had onder meer te maken met het feit dat de Blitzkrieg in Rusland was vastgelopen, en de Duitse economie moest worden ingericht op een langdurige oorlog. Voor de SS kregen de gevangenen in de concentratie­kampen nu waarde. Het loonde om ze – in plaats van ze om te brengen of te laten wegkwijnen – in te zetten als dwangarbeiders in de bewapeningsindustrie. Alleen liet de productiviteit van deze uitgemergelde gevangenen ver te wensen over. Vandaar dat het kampregime wat werd verlicht: de directe moordpartijen en martelingen werden minder en de gevangenen kregen wat meer nachtrust. En, misschien nog wel belangrijker: familieleden van gevangenen werden aangespoord hun dierbaren voedselpakketten toe te sturen. De geestelijken, die daarbij ook konden rekenen op de steun van hun kerkelijke achterban, werden ruim bedeeld en waren verreweg het beste af. De Nederlandse geestelijken verhuisden bovendien naar barak 26, waar de omstandigheden aanzienlijk beter waren dan in barak 28 en 30. Ook kregen de geestelijken de pakkettenafhandeling toebedeeld, wat een gewild baantje was. De SS speelde hun dit arbeidscommando niet voor niets toe: door hun moraal én omdat ze zelf al goed bedeeld werden, zouden zij minder dan andere gevangenen geneigd zijn om uit de pakketten te stelen. Zo kregen de geestelijken in Dachau het zelfs relatief goed.

Maar toen waren Josef, Jo en Titus dus al omgekomen. Zij lieten het leven in een duivels systeem dat uitsluitend gericht was op ontmenselijking en vernietiging. Een systeem waarin, zoals een oud-gevangene me eens vertelde, hij ’s ochtends langs de kribben moest om de doden eruit te halen. Die werden dan door hem ontkleed en langs de Blockweg gelegd om te worden opgehaald voor het crematorium. Voor de administratie moest hij aan de grote teen van de overledene een kaartje binden. Niet met de naam van de overledene erop, maar met zijn nummer.

Josef, Jo en Titus kwamen om. Maar zijn zij behalve slachtoffers van het naziregime ook martelaren?

 

Slachtoffers of martelaren?


Van Dale geeft als definitie van een martelaar: Iemand die om zijn geloof niet te verzaken zijn leven offert. Is dit wat Josef, Jo en Titus deden?

Vaststaat dat lang niet alle geestelijken om deze reden in Dachau terechtkwamen. Karmelieten­broeder Rafaël Tijhuis, die in 1956 als kroongetuige werd gehoord in het zaligverklarings­proces van Titus, was kloosterling in Mainz. Hij werd opgepakt omdat zijn brieven waren onderschept en gelezen door de Gestapo. Een van de zwaarste aantijgingen betrof hetgeen hij de prior van Aalsmeer had geschreven: ‘Indien U nog ooit een paar klokken kunt gebruiken, dan kunt U de onze wel krijgen, wij mogen ze toch bijna niet meer luiden.’5

En Gosse Blijdorp, gereformeerd predikant in opleiding die in Duitsland was gaan werken, moest zich melden bij de Sicherheitsdienst in Rotterdam omdat hij in een brief aan zijn ouders vreugde had geuit over een geallieerde luchtaanval op Liebenau. Hij zag het als een vergelding voor het bombardement op Rotterdam. Stomtoevallig vond er, toen Gosse bij zijn ouders in Rotterdam verbleef, een inval plaats bij de bovenburen. Een van de leden van de verzetsgroep die daar werd opgerold, sprong van het balkon en vluchtte de woning van Blijdorps ouders in. Dat maakte ook Gosse verdacht. Het voorval in de woning en de deutschfeindliche brief die hij had geschreven, was genoeg om hem naar Dachau te sturen. Zo kon je als geestelijke dus ook in Dachau belanden.

Hoe zit dit nu met Josef, Jo en Titus? Zeker is dat zij de nazi’s alle drie vanuit hun geloofsovertuiging met open vizier bekritiseerden en tegenwerkten. Laten we eens kijken hoe zij dat deden.

Josef Cohen

Josef Cohen groeide op in Amsterdam, als enig kind van niet-praktiserende joodse ouders, die veel affiniteit hadden met het socialisme. Josef was erg actief in de jeugdbeweging. Zo zette hij zich in voor de Nederlandse Bond van Abstinent Studeerenden, de Jongelieden Geheelonthouders Bond en de Praktisch-Idealisten-Associatie, de PIA, die streefde naar een beter mens door geheelonthouding, vegetarisme en pascifisme.

Aan het Christelijk Gymnasium in Utrecht moet zijn interesse voor het christendom zijn gewekt. Josef bekeerde zich en ging theologie studeren aan de Universiteit Utrecht. Hierna verhuisde hij naar Wapserveen, waar hij in augustus 1930 intrede deed als predikant bij De Nederlands Hervormde Kerk. Hier trouwde hij met Tine Stuurman, die ook uit een socialistisch Amsterdams gezin kwam. De twee hadden elkaar ontmoet in de jeugdbeweging en deelden dezelfde pacifistische idealen.

Al voor de oorlog bracht Josefs overtuiging hem meermaals in conflict met de overheid. Een preek in 1935 zorgde ervoor dat hij werd gearresteerd en veertien dagen in hechtenis werd genomen in de gevangenis in Leeuwarden. Hij werd aangeklaagd wegens – ik citeer – ‘opruiing, door op een voor het publiek vrij toegankelijke plaats, een ter plaatse verzameld talrijk publiek toe te spreken met een redevoering, waarvan de algemene strekking was dienstweigering en propaganda tegen de oorlog.’6

Twee weken cel weerhielden Josef er niet van om vanuit zijn pacifistisch-christelijke overtuiging maatschappijkritisch te blijven handelen. In maart 1936 sprak hij in de Grote Kerk in Dokkum over de hypocrisie van de luchtbeschermingsoefeningen. De producenten van de bommen en de gasmaskers die hiertegen bescherming moesten bieden, waren volgens hem één en dezelfde. Deze ‘kapitalisten’ betichtte hij ronduit van winstbejag, en hij hekelde de Nederlandse staat die hieraan zou meewerken. Josef bezwoer zijn toehoorders zich niet te laten leiden door angst, de luchtbescher­mings­oefeningen te boycotten en de autoriteiten hierin niet te volgen. In plaats daarvan zouden zij vertrouwen moeten stellen in de hoogste macht, namelijk God. Josef stelde het scherp en zei:

“Het gaat om het hoogste of het laagste: God of Satan, Christus of Antichrist. Wien zullen we volgen, vrienden: Christus of een leider, zij het er ook een met Christelijke praatjes?”7

Tot een nieuwe arrestatie leidde dit niet. Maar de preek werd wel in beslag genomen.

Zo’n predikant móest tijdens de bezetting wel in conflict komen met het Duitse gezag. Na een preek in mei 1941 werd hij verhoord door de Sicherheitsdienst. Hij mocht weer gaan, maar enige zondagen later liep het anders. Die dag voelde Josef het net om zich sluiten. In de preek zei hij dat er een verrader in de kerk zat, achter een pilaar, en hij voorspelde dat die hem aan zou geven. Dit gebeurde inderdaad. Josef zou in de preek gezegd hebben:

“Wat kunnen mensen doen? Geweldig veel. Ze kunnen je brodeloos maken. Je gezin stuk slaan. Ze kunnen je in de gevangenis zetten, martelen en doden. Ze kunnen de aarde vervullen met bloed en tranen. Wat kunnen mensen doen aan de gelovige, die uit de opstanding leeft, dat is uit die hogere en zichtbare werkelijkheid? Geloof is: Christus gehoorzamen tot op het Kruis. Levende in dat geloof ontvangen we de Heilige Geest en in de Heilige Geest, de Vrijheid, dat is de onaantastbaarheid.”8

Naar aanleiding hiervan vroeg iemand hem: “Dat zegt U nu wel, maar kunt U het ook?” Waarop hij antwoordde: “Ik hoop het.”9

Johannes ‘Jo’ Kapteyn

Anders dan Josef had de gereformeerde predikant Jo Kapteyn geen problemen met het Nederlandse gezag. Vanuit zijn geloofsovertuiging respecteerde hij dit als een macht die God over de mensen had gesteld. Maar tegen het antichristelijke gezag van de Duitse bezetter móest hij zich vanuit zijn geloofsovertuiging wel verzetten. Vanaf de kansel in De Gereformeerde Kerk in IJmuiden waarschuwde hij de gelovigen voor de aanslag van het nazisme op kerk, school en maatschappij. In januari 1941 moest de kerkenraad in IJmuiden op last van het Departement van Justitie in Den Haag ‘een halfjaarlijksch collecteplan, met vermelding waartoe de bijeengebrachte gelden zullen worden gebruikt’10 aan de politie geven. Niet veel later werd de redactie van de IJmuider Kerkbode verzocht zich te melden bij het gelijkgeschakelde Verbond van Nederlandsche Journalisten in Den Haag. Namens de redactie wees Kapteyn dat verzoek op principiële gronden af.

Jo besefte heel goed dat zijn leven gevaar liep. Tegen een vriend zei hij: “Ik geloof niet dat ik gespaard zal blijven, ik kom in het concentratiekamp terecht, ik voel het. Maar ik heb God gebeden of Hij mij bij mijn vrouw en kinderen wil laten blijven totdat het kindje, dat wij verwachten [hun derde], geboren zal zijn.”11

In zijn nieuwe parochie in Groningen zette Jo zijn verzet voort. Vanaf de kansel nam hij een duidelijk standpunt in tegen de Duitse inmenging in kerk en school. Hij bad ook publiek voor de terugkomst van koningin Wilhelmina die naar Engeland uitgeweken was. Dat was het Duitsers een doorn in het oog en hij moest zich melden bij de Sicherheitsdienst. Een keer kwam hij er met een waarschuwing vanaf, maar de tweede keer werd hij langdurig verhoord. Hij mocht wel bidden voor het welzijn van de leden van het koninklijk huis, maar niet voor de terugkeer van de koningin naar Nederland. Als hij zou beloven dat niet weer te doen, mocht hij weer ongemoeid naar huis gaan. Maar volgens een van de Duitse ondervragers zou Jo letterlijk gezegd hebben: “Die Stimme Gottes sagt mir: ‘Du hast mit deiner Gemeinde laut für die Rückkehr der Königin zu beten’, also tue ich es auch!”12

Ik denk dat je gerust mag stellen dat Jo door die keuze, net als Josef, een martelaar is geworden. Ze offerden hun leven voor hun Heer in wie zij vast geloofden. Niet dat ze hun leven bewust op het altaar hebben gelegd, maar ze hielden er wel degelijk rekening mee dat dit de prijs was die ze zouden moeten betalen.

Toch botst hun keuze wel met de lading die het woord ‘martelaar‘ voor mij heeft: iets verhevens, ja, bijna iets heiligs. Hoe strookt dat met het gegeven dat Jo, zoals het ernaar uitziet zich ten volle bewust van het gevaar dat hij daarmee liep, er tóch voor koos om openlijk voor zijn overtuiging uit te komen? Net als Josef kwam hij daardoor om en moest hij een vrouw en drie kleine kinderen achterlaten. Lieten zij hun vrouw en kinderen met hun keuze niet in de steek?

Lezing titus gebr kapteyn IMG 2647 1024x610

Kees Kapteyn bij de lezing op 12 oktober

Volgens zijn zoon Kees Kapteyn, die in de voetsporen van zijn vader is getreden en ook predikant is geworden, deed zijn vader dit niet. Vanuit zijn geloofsovertuiging koos hij voor zijn Heiland, in de vaste overtuiging dat die voor hem zou zorgen. Ook zijn vrouw en kinderen wist hij veilig bij zijn Heer. Die zou hen beschermen. Zijn geloof leerde hem dat hij de Heere lief moest hebben met heel zijn hart en ziel, en zijn vrouw en kinderen als zijn naasten. Had hij voor zijn vrouw en kinderen gekozen, dan had hij hen de plaats laten innemen van zijn Koning en was hij ontrouw geweest.

“Ik deel die geloofsovertuiging met mijn vader”, zei Kees, “en ik kan daarom alleen maar bewondering hebben voor zijn keuze.” Om daar heel eerlijk aan toe te voegen: “Al vraag ik mij af of ik in zo’n situatie net zo sterk zou zijn.”

Titus Brandsma

En Titus? Die sprak zich al in 1935 publiek uit tegen de Jodenvervolging in Duitsland. In dat jaar verscheen de bundel ‘Stemmen der Nederlanders over de behandeling der Joden in Duitschland’. Hierin noemt Titus de maatregelen tegen de Joodse bevolking een ‘daad van lafheid’ van het Duitse volk dat zo zijn eigen zwakte probeert te overwinnen.

Tijdens de bezetting liet hij zich in hoorcolleges meerdere keren kritisch uit over het nationaal­socialisme, waardoor de Gestapo hem in de gaten kreeg. Toen de Duitsers in 1941 Joodse scholieren ook uit de katholieke scholen wilden verwijderen, protesteerde hij hier als voorzitter van de Nationale Katholieke Schoolbond fel tegen. In hetzelfde jaar wilden de Duitsers de katholieke pers dwingen om nationaalsocialistische propaganda af te drukken. Na een gesprek hierover met de aartsbisschop van Utrecht ging Titus langs bij de getroffen redacties om ze er persoonlijk van te overtuigen, dat de publicatie van deze propaganda in strijd was met de christelijke ethiek. Het gerucht ging dat men hem wilde arresteren. Desondanks keerde hij terug naar zijn klooster. In de avond van 19 januari 1942 werd hij opgepakt. Hij verzette zich niet, omdat hij zijn mening wilde verdedigen en alle consequenties die hiermee verbonden zijn wilde dragen.

In gevangenschap, in een cel in Arnhem, schreef Titus: ‘Met Job herhaal ik met volle instemming: Wij hebben het goede van den Heer ontvangen, waarom zouden wij ook het kwade niet aannemen, dat Hij ons in Zijn Voorzienigheid overzendt. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen; ’s Heeren naam zij gezegend. Zóó kwaad heb ik het overigens niet. En al weet ik niet wat worden zal, ik weet mij geheel in Gods hand. Wie zal mij scheiden van de liefde Gods?’13

Onmogelijke dilemma’s


Ik ken meerdere oud-gevangenen die in het concentratiekamp van hun geloof zijn gevallen. Anderen werden tijdens hun gevangenschap juist in hun geloof gesterkt en ontleenden er kracht aan. Maar van de 62 Nederlandse geestelijken die in Dachau zaten, is mij er tot nog toe niet één bekend die zijn geloof in God in het kamp verloor.

Dit betekent niet dat elke geestelijke er in slaagde zijn gedrag in overeenstemming te brengen met de norm die zijn ambt vergde. Zo weet ik dat één van hen heeft geworsteld met het dilemma: geef ik mijn medegevangene van wie ik weet dat hij vandaag gaat sterven zijn brood, of eet ik het zelf op?

Hij at het zelf op.

Veel oud-gevangenen graven liever niet te diep in hun herinnering, om dat ze dingen hebben gedaan die ze liever niet toegeven. Kleine dingen misschien, om te overleven, maar soms met gruwelijke gevolgen. Ik zou niet durven om hier negatief over te oordelen. Omdat ik niet weet hoe ik zelf zou handelen, maar ook omdat dit blaming the victim zou zijn. Het zou voorbijgaan aan het feit dat de schuld in eerste instantie de nazi’s betrof die een gevangene voor een dergelijk onmogelijk dilemma stelden.

Toch denk ik dat, als je je afvraagt of iemand een martelaar is, je wel moet stilstaan bij de vraag hoe die persoon zich heeft gedragen. Voor mij – en ik denk dat dit ook voor veel anderen geldt – heeft het woord ‘martelaar’ ook de associatie met iemand die in moreel opzicht een lichtend voorbeeld is. Ook, of misschien wel juist, onder moeilijke omstandigheden.

Martelaren


Of Josef, Jo en Titus ook momenten hebben gekend die zij zich, als zij hadden overleefd, misschien liever niet zouden herinneren, zullen we nooit weten. Oud-medegevangenen hebben in brieven aan hun nabestaanden en in hun memoires wel veel momenten gememoreerd waarop zij zich bewonderenswaardig hebben gedragen. Momenten waarop zij inderdaad een lichtend voorbeeld waren. Zo schrijft dominee Knoop in zijn boek ‘Een Theater in Dachau’ over Jo:

‘Van het kamp-egoïsme: als ik maar heb, had hij niets. Hij leefde niet voor zich zelf, hij leefde voor anderen. Op een avond liet ik me eens ontvallen, dat ik zoo’n honger had. Jo zei niets. Doch toen we in bed lagen kwam hij bij me en bracht me de helft van zijn brood.’ Knoop weigerde, maar Jo bleef aandringen. Knoop schrijft: ‘En zoo móest ik het nemen van hem, die zelf zoo’n honger had; hij hield niet op. En ik nam. Dát was Jo Kapteyn. Zoo was hij in alles.’14

En over Josef, die door de SS als Jood werd beschouwd en daarom vaak mikpunt van spot en mishan­deling was, schreef oud-medegevangene Sef Kurstjens in een brief aan zijn weduwe Tine Cohen:

‘Als hij in […] lang genoeg getergd was, dat ik het soms niet meer aan kon zien, kwam hij na verloop van tijd weer bij me met de woorden: “Hè hè, dat hebben we weer gehad”, en tot conclusie: “’t zijn toch zo’n kwaaie kerels niet!” Hij wist in ieder mens een ziel te vinden en uit die ziel altijd iets goeds te delven.’

Wat we ons hierbij wel moeten realiseren is dat memoires als die van Knoop, die kort na de bevrijding verschenen, ook de ‘pr’ van de kerk dienden. En de brieven die oud-medegevangenen de nabestaanden stuurden, hadden natuurlijk ook tot doel hen te troosten. Het beeld dat hierin van Josef, Jo en Titus wordt opgeroepen hoeft dus niet volledig te zijn.

Desalniettemin is klip en klaar dat de 15 jaar jongere Kurstjens zich in het kamp door Josef liet inspireren en aan hem een voorbeeld nam. Weduwe Tine Cohen stuurde Kurstjens nog een aantal boeken van Josef, waarover de twee in Dachau hadden gesproken. Kurstjens schreef haar:

‘Ook van mij krijgt hij iedere avond ’n stuk gedachten en een stuk gebed, omdat ik nog nooit iemand ontmoette, die zo ongecompliceerd vol goede, edele en reine bedoelingen was als hij. Veel van m’n kampleven ben ik vergeten, maar Joop [Josef] zal me eeuwig bijblijven.’

lezing titusIMG 2646 1024x682

Wat ik zelf bewonderenswaardig vind is hoe Josef, Jo en Titus alle drie in staat waren om over de grenzen van hun geloof heen te kijken. Josef raakte in Dachau bevriend met de kapucijner pater Othmarus. In kamp Amersfoort bloeide er een bijzondere vriendschap op tussen Jo en Titus. Jo zag de 27 jaar oudere Titus als een soort vaderfiguur. Ze voerden intensieve gesprekken en baden met elkaar. Ze spraken met elkaar over God en het geloof, ook al hadden ze elk een eigen geloofsovertuiging. De weg naar Dachau, via meerdere gevangenissen in Duitsland, legden ze deels geketend aan elkaar af. Titus kreeg in Dachau het nummer 30.492, Jo 30.493.

De breuklijnen die in het ‘gewone’ leven tussen de verschillende gezindten bestonden, zetten zich onder de gevangengenomen geestelijken in de kampen voort. Maar net als Jo en Titus wisten ook andere geestelijken goede contacten te leggen met andersgelovigen. Misschien gingen ze sommige onderwerpen uit de weg – de twee ‘mooie mysteries, de H. Eucharistie en Maria, kon je beter maar niet aanroeren aldus priester Govaert15 – maar ze spraken graag met elkaar over geloofszaken. Dat onmenselijke systeem waarin je geloof zwaar op de proef werd gesteld, kon zo ook een inspirerende omgeving worden. ‘Geestelijk had ik een prachttijd’, aldus een van hen.16

Over die verbondenheid lees je soms in de memoires van oud-gevangenen die kort na de oorlog verschenen, maar in de literatuur die over de predikanten werd uitgebracht is hiervoor geen plek. De blik gold uitsluitend de eigen groep. Elke gezindte koesterde zijn eigen slachtoffers en tilde ze als martelaren op het schild, getuige bijvoorbeeld de titel van het boekje ‘Twee Dachau-martelaren’, uit 1950, over pastoor Galama en kapelaan Van Rooijen.

Ik zei het net al even, Josef werd door de SS beschouwd als Jood. Het gegeven dat hij volgens de Neurenbergse rassenwetten Joods was, woog zwaarder dan het feit dat hij Nederlands Hervormd predikant was. Hij kwam daarom niet terecht in de barak 28 of 30, waar de Nederlandse geestelijken toen waren ondergebracht, maar in barak 15, waar Joden, Jehova’s Getuigen en gestraften zaten. De gecombineerde gele en rode driehoek op zijn gestreepte kampkleding liet de SS in één oogopslag zien dat hij een Joodse politieke gevangene was. Samen vormden die twee gekleurde driehoeken een Jodenster.

Dit doet je nadenken over het perspectief van de daders: hoe beschouwden zij Josef, Jo en Titus eigenlijk? Ongetwijfeld niet als martelaren. Het verzet dat zij hadden gepleegd was weliswaar religieus gemotiveerd, maar de Duitsers zagen dit als politiek verzet. Degenen die hen vervolgden en verantwoordelijk of medeverantwoordelijk waren voor hun dood, konden zelfs hetzelfde geloof aanhangen.

Wat mij raakt


Hoe je het verleden ziet en duidt, hangt af van de persoon die je bent en de tijd waarin je leeft. Vaak zegt het beeld dat je construeert daardoor meer over het heden dan over het verleden. Ergo: óf we Josef, Jo en Titus als martelaren beschouwen, wat we daar precies onder verstaan, en óf en hóe we ons door hen laten inspireren, is heel persoonlijk en tijdgebonden.

Wat mij in hun verhaal vooral raakt is de manier waarop zij in moeilijke omstandigheden in staat zijn geweest een voorbeeld of inspiratiebron voor anderen te zijn. Brandsma voor Kapteyn, Kapteyn voor Knoop en Cohen voor Kurstjens. Daar kun je een voorbeeld aan proberen te nemen.

Wat mij ook raakt is dat zij over de grenzen van hun geloof heen durfden te kijken, zich openstelden voor andere ideeën en overtuigingen en zich daardoor lieten inspireren. Die instelling leert je begrip te hebben voor andersdenkenden. Ik associeer dit met de woorden die een oud-Dachauer sprak toen ik haar vroeg naar de wijze lessen uit het kamp. Ze zei: ‘Oordeel niet te snel, stel liever vragen.’

‘Oordeel niet te snel, stel liever vragen.’ Die zeven woorden, die levensles uit het kamp, is niet tijdgebonden en algemeen toepasbaar. Een belangrijke grondhouding die de essentie raakt van waar het volgens mij tussen ons mensen om moet gaan.

Maar wat mij tegelijkertijd raakt is dat Josef, Jo en Titus een streep in het zand durfden te trekken en pal voor hun overtuiging durfden te staan toen die overtuiging écht in het geding kwam. Weten waar je voor staat, jezelf daarin niet verloochenen, en daardoor recht in de spiegel kunnen blijven kijken.

Ik ben benieuwd hoe dat voor u is: óf en hóe u zich heeft laat raken. Ik hoop dat we daar zo meteen van gedachten over mogen wisselen, en elkaar in mogen inspireren.

Dank u wel.

Jos Sinnema, Geen nummers maar Namen, Coördinator Nederland.

 

Jos Sinnema is coördinator Nederland voor het Gedächtnisbuch in Dachau

gedaechtnisbuch 

en initiatiefnemer van Geen nummers maar Namen.

verzetsmuseum

 

Meer linkjes

Kapteyn,

Kapteyn Johannes

geen nummers maar namen johannes jo kapteyn

Cohen,

josef-wilhelm-bernard-cohen

Brandsma,

Titus Brandsma museum.

dossier Titus Brandsma