dachau herdenking 25 april 2015

dachau monument amsterdam3

 

 

speech van Rom Steensma

"De organisatie heeft mij gevraagd u toe te spreken vanuit het perspectief van –zoals dat heet- de tweede generatie, met de vraag: wat voor ouders kwamen er terug uit de kampen, terug naar hun gezinnen, nu zeventig jaar geleden? In mijn geval was dat mijn vader, Carel Steensma, uit kamp Dachau. Voordat ik die vraag beantwoord, neem ik u mee, terug in de tijd, naar enkele gebeurtenissen uit zijn leven.

Het is 10 mei 1940. Gekleed in KLM uniform en met een geleend vliegers-jack maakt mijn 28-jarige vader in zijn Fokker D 21 jachtvliegtuig het de vijand zo moeilijk mogelijk. Hij raakt bij luchtgevechten gewond maar vliegt de volgende dag gewoon door. Na een mislukte noodlanding op 12 mei wordt hij uit het wrak gehaald en opgenomen in het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis. Daar ziet hij zwaar gewonde soldaten van de Grebbelinie binnenkomen en denkt "die hebben deze bedden harder nodig dan ik". Hij klimt uit het raam, neemt de tram en komt uiteindelijk terecht op de Kalfjeslaan, hier vlakbij, van waar hij naar huis strompelt, in Amstelveen, naar mijn 25-jarige moeder Tineke de Veer en hun 2 jaar oude zoon Peter.

Het is inmiddels 1941. Mijn 29-jarige vader zit in het verzet. Maar pas na langdurige gesprekken, niet alleen met mijn moeder maar ook met de dominee die hen trouwde, over de morele aspecten van verzet.

 

Voor mijn vader was vrijheid een van de allerhoogste waarden en daarom het offer van zijn leven waard. Áls hij het overleefde, wilde hij zijn zonen onder ogen kunnen komen als zij hem vroegen: "Pap, wat heb jij in de oorlog gedaan"? Het gezin was net uitgebreid met mijn broer Frank.

Carel steensma 1942Op een donkere septembernacht in 1941 probeert mijn vader met zijn verzetsvrienden Lodie Voûte en Boy Ruys de Perez in een snelle motorboot naar Engeland te vluchten. Zij worden onder vuur genomen, raken gewond en worden later op volle zee door de Kriegsmarine ingerekend. Mijn vader belandt in het Luftwaffe Lazarett in Amsterdam.

Daar wordt hij een jaar lang goed verzorgd en enkele malen aan zijn door dum-dum kogels verbrijzelde been geopereerd. Als echter de verantwoordelijke Oostenrijkse arts wordt overgeplaatst naar het Oostfront wegens "vriendelijkheid jegens de vijand", veranderen de zaken drastisch.

Ondanks zijn nog niet geheelde been wordt mijn vader in het najaar van 1942 opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans en veroordeeld tot "die höchste Strafe". Ofwel: executie.

Februari 1944. Zijn celdeur gaat open: "Alles mitnehmen". Het doodvonnis wordt bevestigd. Ook wordt hem meegedeeld, dat het een verkwisting van Duits vakmanschap zou zijn hiervoor een Duitse kogel te gebruiken. "Wir haben andere Mittel und Wegen um Sie zu beseitigen". Ofwel: men had andere manieren en middelen om hem uit de weg te ruimen. Welke? Dat werd niet toegelicht.

Samen met 7 andere "Nacht und Nebel" gevangenen (dat zijn gevangenen die men spoorloos laat verdwijnen) worden zij naar kamp Amersfoort getransporteerd. Enkele dagen later wordt hen meegedeeld, dat zij op transport gaan naar het concentratiekamp Natzweiler. Natzweiler? Ze hadden er nog nooit van gehoord. Het "Vernichtungslager " Natzweiler-Struthof bleek in de Franse Elzas te liggen, op 850 meter hoogte, vaak in de mist en in de wolken.

Daar komt mijn vader terecht in een wereld van terreur, willekeur en rechteloosheid, waarin de gevangene geen naam meer heeft, alleen een nummer.

Juli 1944. Een medegevangene, de Belgische chirurg Georges Bogaerts, geeft mijn 31-jaar oude en 36-kilo lichte vader twee keuzes: óf zijn inmiddels gebroken en levensbedreigend geïnfecteerde been wordt geamputeerd en hij heeft nog een kans om te overleven, óf hij zal snel overlijden. Na 2 dagen nadenken kiest mijn vader voor amputatie. Die wordt uitgevoerd onder de meest erbarmelijke omstandigheden, vastgebonden op een keukentafel en praktisch zonder verdoving. Hij zei later: "Ik kreeg het advies even de tanden op elkaar te zetten". Hij overleeft de operatie. Nét.

September 1944: in allerijl wordt Natzweiler vóór de oprukkende geallieerden geëvacueerd. De goederenwagons met de weinige overlevenden komen uiteindelijk in Dachau tot stilstand. Meer dood dan levend, in schamele kledij, belandt mijn vader bovenop een stapel lijken en wordt op de appelplaats gedumpt, in de vrieskou en met hoge koorts. Eigenlijk voor het eerst sinds zijn gevangenneming denkt hij: "Dit ga ik niet redden". In het donker herkent hij de stem van Godert van Dedem. Het wordt zijn redding. Want Godert geeft mijn vader de lange overjas die hij aan heeft "want jij hebt een gezin en ik niet".

Mede door deze uitzonderlijke naastenliefde komt hij de nacht door en overleeft. Uiteindelijk keert hij samen met nog 16 anderen (waaronder de vader van deze Hans Teengs Gerritsen) in "de Bus van Dachau" naar Nederland en naar huis terug.

Vanaf 1942 kennen mijn broers hun vader van een foto. De man die in mei 1945 op krukken voor de deur staat, kan het écht niet zijn.

Ik word in 1947 geboren, het bewijs van de zege over het kwaad. Niet voor niets is mijn tweede naam Victor.

Terug naar het begin en naar de vraag: wat waren de consequenties voor mij, voor ons als gezin, als kinderen van de tweede generatie? Werden wij niet ondergedompeld in het toen zo verse verleden? Het eenvoudige antwoord is: nee. Want mijn ouders vonden, dat wij zo normaal mogelijk moesten worden opgevoed, zonder voortdurend aan de verschrikkingen van de oorlog te worden herinnerd.

Het tekent mijn vaders karakter en zijn overtuigingen dat de eerste buitenlandse vakantie van het gezin Steensma begin vijftiger jaren naar Duitsland was. Duitsland, of all places!

monument 7231

 

Jaarlijks was er de periode van herdenken rond 29 april en 4 mei. De fantoompijnen van zijn geamputeerde been waren dan een kwelling! Wij waren stil in huis. Maar van hem geen woord waaruit bleek, wat hij weer doormaakte. Het leven ging nu eenmaal verder.

In de jaren 90, tijdens een van mijn vele zeilpartijen met hem, vertelde hij iets over de kampen maar bleef steken in zijn verhaal. "Je kunt het toch wel aan míj vertellen", vroeg ik? Na een lange stilte antwoordde hij: "Nee, dat kan ik niet want dan moet ik zo huilen". Controle over zijn emoties, dat was essentieel voor hem. En toch waren die emoties hem af en toe de baas.

Zoals tijdens de gesprekken in een hotelkamer met Niek Kemps, de kunstenaar die dit prachtige monument ontwierp. Die hotelkamer lag aan het einde van de gang, naast de nooduitgang, naast de vluchtweg.

Zoals soms tijdens vergaderingen, als een deur werd geopend. Het kon leiden tot een bijna blinde paniek: wég, wég!

Zoals toen hij op 89 jarige leeftijd Berlijn bezocht en overweldigd werd door de aanblik van de adelaar en het ijzeren kruis boven op de Brandenburger Tor. Hetzelfde gevoel van onveiligheid, dezelfde paniek. Na zó veel jaar. Hij maakte rechtsomkeert, zonder verder iets van Berlijn te zien.

Ík ben erfelijk gezegend met zijn voorbeeld van een krachtige en positieve levenshouding en een welhaast onfeilbaar geloof, dat liefde alles bepalend is; gezegend met de trouwspreuk van mijn ouders: "Wandelt als kinderen van het licht"."

 

Meer over Carel Steensma op de website van de anderen