In memoriam Willemijn Petroff-van Gurp

In memoriam Willemijn Petroff-van Gurp

 

Wil werd geboren op 7-11-1918 in een groot, streng gereformeerd gezin in Den Haag. Op haar 24ste ging ze zelfstandig wonen. Ze zag de Duitse bezetting als een groot onrecht. Daarom sloot ze zich aan bij een verzetsgroep en deed lang koerierswerk. Die verzetsgroep groep hield zich o.a. bezig met vervoer van wapens en hulp aan onderduikers (LO). Ze hoorde tot de landelijke knokploegen.

 fotoim

Wil van Gurp in de oorlogsjaren

Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden werd ze in juni 1944 door de SS gepakt en opgesloten in de beruchte Scheveningse gevangenis, die de erenaam “Oranjehotel” had gekregen. Ook de Baarnaar Lodewijk van Hamel heeft er gezeten. Na een week werd ze overgebracht naar de “Scheveningse barak” in Kamp Vught. Deze gevangenen kregen minder eten en werden strenger behandeld dan de anderen.

Intussen rukten de geallieerde troepen op vanuit Normandië. Op 5 september 1944 hoopten haar medeverzetsstrijders, die niet wisten waar Wil zat, dat ze vrij zou komen, maar deze “Dolle Dinsdag” werd geen Bevrijdingsdag. De volgende dag werd Willemijn met andere Nederlandsen naar het vrouwenkamp Ravensbrück gevoerd. Hoewel ze ziek was, werd ze toch met een aantal Nederlandse vrouwen naar een werkkamp bij Dachau getransporteerd. Het werkkamp werd AGFA genoemd omdat de gevangenen in de AGFA fabriek onderdelen voor vliegtuigen en ander oorlogsmaterieel moesten maken en monteren. ’s Avonds en ‘s nachts werden de vrouwen ondergebracht in een niet verwarmd en tochtig gebouw, waarvan de meeste ramen door bombardementen gebroken waren.

Toen de Duitsers in april 1945 begrepen dat de oorlog verloren was en dat de geallieerde legers dichter bij kwamen, werden de concentratiekampen ontruimd. Dit gebeurde via zogeheten doden marsen. Ook vanuit het AGFA Lager werden de vrouwen, gekleed in schamele jurken naar een onbekende bestemming gemarcheerd. Aangekomen in het plaatsje Wolfratshausen konden de vrouwen de nacht in een hooiberg doorbrengen. De volgende dag klonk het al vroeg:“Aufstehen, weiter gehen”. De vrouwen weigerden en zeiden “Schiet ons maar dood, we kunnen niet verder”. De sergeant wist niet wat hij er mee aan moest en stuurde een soldaat naar zijn commandant. Intussen kwamen de eerste Amerikanen het dorp binnen. Die wisten niet wat ze zagen toen ze bij de vrouwen aankwamen. Ze zeiden dat de vrouwen maar in “de winkels moesten kijken naar behoorlijke kleding.” De dorpelingen konden niet anders dan dat toestaan. In de lokale krant stond geschreven dat de “Amerikaanse hoeren” de winkels plunderden.

Na veel omzwervingen kwam Willemijn uiteindelijk weer terug in Nederland. Ze vond werk als secretaresse bij Philips Grammofoonplaten Industrie in Baarn. Waar ze lid – en later secretaris - werd van de personeelsvereniging, de tennisclub Phonosmash.
Ze woonde de laatste jaren in Huize Bloemendael bij de Wilhelminavijver. Het Centraal Orgaan Voormalig Verzet en Slachtoffers (COVVS), gesteund door Sonja Holtz-Arendse, vroeg een Koninklijke Onderscheiding voor Willemijn aan, die op 5 maart 2021 in het gemeentehuis van Baarn werd uitgereikt. In april ging haar gezondheid achteruit. Op zondagmorgen 25 april 2021 overleed ze in zorgwoning Bloemendael in Baarn.

Wim Velthuizen.

 

 

 

 

 

 

Willemijn Petrof van gurpfoto: Peter Stamboliev

 

 

Willemijn Petroff-van Gurp wordt geridderd

 6 Maart 2021 door Agnes Zuiker

 

Verzetsstrijdster (102): ’Hoe meer je weet, hoe meer je kunt vergeven

 

BAARN - Als lid van een verzetsgroep vervalste de 24-jarige Willemijn van Gurp in de Tweede Wereldoorlog persoonsbewijzen, bezorgde ze illegaal distributiebonnen en stapte ze zelfs met een bomgordel om de trein in. Op 10 juni 1944 werd ze verraden, opgepakt en gevangen gezet in het beruchte Oranjehotel, om uiteindelijk in kamp Dachau te belanden. Vrijdag werd de 102-jarige Baarnse voor haar verzetsdaden geridderd.

 

Gezeten in een rolstoel en met een elektrisch kacheltje achter zich om warm te blijven, krijgt Willemijn Petroff-van Gurp in het gemeentehuis van Baarn de versierselen aangereikt die bij een Ridder in de Orde van Oranje Nassau horen. Vanwege de coronamaatregelen geeft haar 21-jarige kleinzoon Zoran de Graaf haar sjaal aan burgemeester Mark Röell, die daar vervolgens de medaille op speldt. Daarna drapeert haar kleinzoon de sjaal weer om de hals van zijn hoogbejaarde oma. Glunderend laat ze het eerbetoon en de toespraken over zich heenkomen. „Ik ben heel blij”, zegt ze ontroerd.

 

 

 

 

 

 

 

Willemijn uitreiking

 

 

 

 

Dubbel en dwars

Het is niet gebruikelijk dat verzetshelden een koninklijke onderscheiding krijgen, vertelt Sonja Holtz-Arendse, lid van het Dachau Comité en dochter van verzetsstrijder Henk Arendse. „Zo’n onderscheiding is eigenlijk alleen voor mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt als vrijwilliger of iets dergelijks. Maar ik dacht, ik ga ervoor. Wil verdient deze onderscheiding dubbel en dwars. Zonder haar had ik hier nu niet gezeten.”

 

 

             Foto; Wim Velthuizen

Willemijn van Gurp wordt op 7 november 1918 geboren in Den Haag, in een streng gereformeerd gezin met 15 kinderen. Om aan haar opvoeding te ontsnappen, gaat ze op 24-jarige leeftijd op kamers wonen in de hofstad. Ondertussen is Nederland bezet. Willemijn komt in contact met een paar mensen die in het verzet zitten en besluit zich bij hen aan te sluiten. „Dit deed ik om één reden”, blikt ze later terug. „Ik kan niet tegen onrecht.”

 

In het verzet wordt ze koerierster voor de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen. Ze bezorgt bonkaarten en vervalst persoonsbewijzen. Ook reist ze met dynamiet op haar buik met de trein naar Utrecht om het daar af te geven. Alles gaat goed, tot ze op 10 juni 1944 wordt verraden en opgesloten in het zogeheten Oranjehotel in Scheveningen. Van daaruit komt ze, via de concentratiekampen Vught en Ravensbrück, in Dachau terecht.

 willemijn van Gurp Jong

Willemijn van Gurp in de oorlogsjaren. ’GEEN NAMEN MAAR NUMMERS’

 

Daar wordt de jonge verzetsstrijdster tewerkgesteld in de fabriek van Agfa Kamerawerke, waar ze, samen met nog 250 vrouwen, tijdontstekers moet maken voor granaten. De werk- en leefomstandigheden zijn zo schrijnend, dat de vrouwen de boel saboteren waar ze maar kunnen. Uiteindelijk staken ze de dwangarbeid helemaal. Wonder boven wonder vallen er geen doden, maar er volgen wel urenlange strafappèls in de kou.

 

Straatschoffies

Op 26 april 1945 wordt het kamp geëvacueerd. Na de bevrijding door de Amerikanen bereikt de ernstig verzwakte Willemijn via Zwitserland, Frankrijk en België op 21 mei 1945 Nederland, haar gevangenisplunje nog aan. Amper bekomen van de ontberingen in de kampen, vertrekt ze na een paar maanden als begeleidster van een groepje ondervoede Haagse straatschoffies naar Engeland en Schotland. „Dat was de enige manier waarop je weer nodig was voor iemand”, zegt de Baarnse later over deze periode.

 

Ze gaat voor de KLM werken in Rome, ontmoet daar de Bulgaarse tenor Nasco Petroff Stamboliev, met wie ze trouwt en een zoon krijgt, Robert. Het paar verhuist naar Canada, waar Peter, hun tweede zoon wordt geboren, maar het huwelijk houdt geen stand en Willemijn vertrekt met haar kinderen naar Nederland. Uiteindelijk gaat ze in Baarn wonen, waar ze bij de Philips Phonografische Industrie komt te werken en zich in het vrijwilligerswerk stort. Op haar 94-ste staat ze nog thee te schenken in hetzelfde verzorgingstehuis waar ze later, ze is dan al 98, ook haar intrek neemt.

 

Jarenlang zwijgt ze over haar oorlogsverleden. Pas op haar 85-ste, in 2010, komt ze uit de kast. Ze vertelt haar geschiedenis aan een vriend, Wim Velthuizen, die bij de lokale omroep in Baarn werkt. „Ik heb het weggestopt, omdat je na de bevrijding verder moest. Je wilde verder, je wilde leven”, aldus Van Gurp in haar toespraak bij de onthulling van het Dachaumonument. „Je wilde anderen niet belasten met de pijn en het verdriet uit jouw verleden.”

 

Haar jongens’

Ook stemt ze in met een interview aan twee scholieren. „Omdat ik het belangrijk vind dat de jeugd weet wat vrijheid betekent, wat vrijheid van meningsuiting betekent, wat het gevaar van dictatuur is en wat het betekent om mensen minderwaardig te verklaren.” Sindsdien beschouwt ze Jop de Bruin en Jelle Braaksma als ’haar jongens’. In 2015 is Willemijn van Gurp een van de twaalf geportretteerde gevangenen in de tentoonstelling ‘Geen nummers maar namen’, over Nederlandse politieke gevangenen in concentratiekamp Dachau. Tot op hoge leeftijd geeft ze op scholen voorlichting over de Tweede Wereldoorlog.

 Willemijn van Gurp BloemenVan

Bloemen van burgemeester Röell. CASPAR HUURDEMAN

 

Wijze les ’Tout savoir c’est tout pardonner’. Deze woorden zijn voor Willemijn van Gurp een wijze les uit het kamp. Ze geeft ze graag door. „Ga niet af op oppervlakkigheden en oordeel niet te snel. Stel liever vragen en probeer de ander te begrijpen. Want hoe meer je van iemand weet, hoe meer je kunt begrijpen en hoe meer je kunt vergeven.”

tekst  :  Agnes Zuiker

Gooi en Eemlander / mediahuis 

 

meer over Willemijn Petroff-van Gurp

 interview op youtube

" Will Petroff werkte als courier in het Haagse verzet tijdens de tweede wereldoorlog. Zij werd in 1944 opgepakt en geinterneerd in diverse kampen in Nederland en Duitsland. Zij overleefde al deze verschrikkingen ternauwernood en keerde uiteindelijk weer in Nederland terug, Hier volgt haar relaas, wat zij pas op hoge leeftijd kon vertellen."