Leo Schenk 7564

 

“Het feit van overleven verplicht”

 

 

Deze tekst, die tot in 2001 als motto boven de nu verdwenen glaswand met namen in het nationaal museum kamp Vught te lezen was, komt niet van een overlevende uit dit doorgangskamp van de vernietiging. Het is een zin uit een van de laatste brieven van de journalist Koos Koster, die in 1982 samen met drie collega’s van zijn Nederlandse IKON-televisieploeg in El Salvador werd vermoord. Als eindredacteur van de actualiteitenrubriek Kenmerk was ik hun opdrachtgever, en daarmee ook verantwoordelijk voor hun aanwezigheid in dat treurige land.

 

Lejo Schenk, journalist

Koos Koster heb ik goed gekend. Nico Rost, wiens leven en werk hier vandaag centraal staat, niet.

Maar toen ik mij in het leven van Rost verdiepte vielen de parallellen op. Beiden geloofden dat journalistiek en schrijverschap de wereld beter zouden kunnen maken. Beiden leerden ze het “reëel bestaande socialisme”, in Oost-Duitsland, de DDR, kennen.

Van Koos Koster, die in West Berlijn bij de evangelische studentengemeenschap betrokken was, is een anekdote bekend die zijn verhouding met de stalinisten goed weergeeft. In een heftige cafédiscussie met een partijfunctionaris over de leidende rol van zijn communistische partij riep deze man het gezelschap op om toch vooral vertrouwen te hebben. Waarna Koster op de tafel sprong en declameerde: “Vertrauen ist gut, aber Kontrolle ist besser”.

Nico Rost, de eens overtuigde communist, maar bovenal antifascist en bestrijder van het opkomende nazisme, kende het vooroorlogse Duitsland beter dan zijn geboorteland. Na de politieke detentie in het concentratiekamp Oranienburg (1938), beleefde hij de eerste jaren van de oorlog in België en Nederland. Zijn verzetsactiviteiten leidden in 1944 tot deportatie naar concentratiekamp Dachau, waar hij te midden van de nazigruwelen mens wist te blijven. Na de bevrijding van het kamp, toen er taal noch teken vanuit Nederland werd vernomen, had hij het voorrecht mee te kunnen met de roemruchte bus naar Nederland. De eerste jaren na de oorlog bracht hij met zijn tweede vrouw Edith in België door. Maar al snel zocht hij zijn heil weer in Duitsland, maar nu in de nieuwe, socialistische DDR, waar veel literaire en politieke vrienden hem graag zagen komen. Hij kreeg er zinvol werk te doen en was gefascineerd door het socialistische staatsexperiment. Door jaloezie en verdachtmakingen vanuit de Nederlandse CPN werd hij in diskrediet gebracht en moest het land verlaten. Nico Rost overleed in 1967 in Nederland.

Koos Koster, die journalist werd en behalve voor de IKON ook heeft gewerkt voor Trouw, VARA, NCRV en Vrij Nederland, opereerde vooral in Zuid- en Midden Amerika. In 1973 berichtte hij uit Chili over de coup tegen de democratisch gekozen president Salvador Allende door generaal Pinochet. Met duizenden anderen werd Koos gearresteerd, mishandeld en gevangen gehouden in het stadion van Santiago de Chile. Hij overleefde het en bleef daarna tot zijn gewelddadige dood, verslag doen van het sociale onrecht dat zijn geliefde continent in zo veel vormen teisterde. Maar ook van ontwikkelingen die hij, misschien soms tegen beter weten in, als sprankjes van hoop zag.

Nico Rost deed na zijn oorlog en de doorstane gruwelen in Dachau, op zijn manier hetzelfde. Hij bleef aandacht vragen voor de grote humanitaire thema’s. Zie bijvoorbeeld zijn reportages in de jaren ’50 en ’60 over de vergeten zigeuner slachtoffers (zoals Roma en Sinti toen nog werden genoemd); over het belang van humane opvang en behandeling van psychiatrische patiënten; over de rechten van kinderen zoals verwoord door de Pools-Joodse pedagoog Janusz Korczak. Even rusteloos bleef hij zoeken naar de psychologische mechanismen achter de nazi-moordmachine. Hoe konden mensen hier in gezogen worden, wie zijn er meer of minder schuldig, hoe moeten we de jeugd opvoeden, om te beginnen de Duitse?

Nico en Koos, ze hebben elkaar waarschijnlijk niet ontmoet, het is mijn oude journalistenhand die ze vandaag bij elkaar zet, deze twee overlevers, elk in hun eigen tijd. Niet erg geliefd of gesteund door de staat waarin ze geboren werden. Zoekers naar waarheid, gedreven en zo nodig pragmatisch.

Nico Rost overleed uiteindelijk toch in zijn vaderland. Koos Koster in een ver Midden- Amerikaans land. De schrijver-journalist en de theoloog-journalist, die naar ik vermoed beiden zijn blijven geloven dat het ooit toch eens goed zou kunnen komen. Maar ik weet bijna zeker dat ze zich ook regelmatig afgevraagd hebben of hun literaire, respectievelijk journalistieke inspanningen enig nut hebben gehad. Evenals hun ernstig meedenken over politieke systemen.

Als de vermaarde interviewster Bibeb in Vrij Nederland van 23 juli 1966 hem kritisch ondervraagt over zijn geloof in Stalin antwoordt Nico Rost: “Daar kan ik alleen maar van zeggen: hadden we niet waakzamer moeten zijn?”

Het lijkt een retorische vraag, maar ook een die hij wel degelijk aan zichzelf stelt. En die hij doorgeeft aan ons. Burgers, journalisten, politici. Een vraag die ook raakt aan het thema dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei en het vfonds voor dit jaar 2019 hebben gekozen: IN VRIJHEID KIEZEN.

Rost vertelt Bibeb over de lezingen die hij geeft voor de naoorlogse Duitse jeugd. Hij krijgt daar enthousiaste reacties op. “Maar ik stelde me voor dat als morgen iemand iets anders tegen ze zegt, ze dáár achteraan lopen. Ze moeten méér weten.

Kwetsbare democratie

Wat moeten “ze”, maar ook onze kinderen van nu, en wijzelf, dan meer weten? En waar, en hoe, moet dat geleerd worden?

Van de democratie zoals wij die kennen wordt vaak gezegd dat ze van alle onvolmaakte politiek-bestuurlijke systemen misschien wel het minst slechte is. Maar even waar is dat het een kwetsbaar systeem blijkt. Om ons heen zien we gebeuren hoe een versimpeld idee van democratie populair wordt. Namelijk het idee dat de meeste stemmen gelden, en dat je ongelimiteerd de baas mag spelen als je zo de macht hebt verworven.

Het lastige van democratie is dat ze met legale middelen ondemocratische leiders en bewegingen aan de macht kan brengen, die in dat complexe democratische systeem feitelijk niet geïnteresseerd zijn. Die vinden dat rechters niet het recht hebben het gedrag van hun leiders aan de wet te toetsen; die vinden dat kranten, radio, televisie en andere media niet met onderzoek en kritische commentaren in de weg moeten zitten van de grootse plannen die zij voor hun samenlevingen hebben bedacht.

Waarom is een werkelijke democratie zo oneindig veel subtieler, evenwichtiger en daardoor zo kwetsbaar?

Pericles, de leider van Athene zegt rond 430 voor Christus aan het graf van zijn soldaten tegen het verzamelde volk: “Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen en niet van enkelen.” Pericles zei ook: “Wij gehoorzamen (___) vooral aan die wetten die bescherming bieden aan de verdrukten en aan die ongeschreven wetten, waarvan de overtreding in aller ogen schade brengt”. Interessant is dat je hier al een verwijzing zou kunnen zien naar de democratische opdracht van het respecteren van de rechten van minderheden. En ook: dat je kennelijk bewuste burgers nodig hebt, die de democratie willen dragen, en inzien dat je fatsoen niet alleen met wetten kunt regelen.

In de 18e tot en met de 20e eeuw is deze denkwijze uitgegroeid tot een systeem waarin gekozen parlementen wetten aannemen, regeringen en ambtenaren wetten uitvoeren, parlementen de regeringen controleren en rechters het rechtmatig en rechtvaardig uitvoeren van de wetten toetsen. De machten liggen niet in een hand. In onze Grondwet is bovendien vastgelegd dat er vrijheid van meningsuiting bestaat, vrijheid van drukpers, en de vrijheid om samen te komen en je te verenigen. Ik citeer in deze historische hinkstapsprong tenslotte de beroemde Duitse politiek filosofe Hannah Arendt. In haar studie over totalitaire systemen, zoals nazisme en stalinisme, zegt zij : “Internationaal recht is de basis van een beschaafde wereld; de instemming daarmee wordt verkregen omdat er morele oordeelsvorming en wettige bestraffing plaatsvindt”.

Een volwassen democratische samenleving, met vrije verkiezingen, parlementen, onafhankelijke rechtspraak, een vrije en kritische pers en bewuste burgers is een vooralsnog ongeëvenaard, met vallen en opstaan gegroeid, organisatiemodel.

Ook wij in ons kleine poldertje aan de Noordzee hebben in de jaren van de Duitse bezetting ondervonden wat het betekent als al die afspraken opeens niet meer gelden. Vandaag herinneren we ons wat ze hebben teweeggebracht: die jaren van terreur, onderdrukking, en afwezigheid van vrijheid. Dat democratie van een vrije samenleving kan transformeren in een totalitair, onderdrukkend systeem heeft het nationaal socialisme bewezen.

De slachtoffers en de overlevenden van Dachau staan hier vandaag centraal. Tegelijk wijzen zij ons naar de miljoenen vermoorde joden, de Roma en Sinti, de politiek gevangenen, de geestelijken, de Nacht und Nebel-slachtoffers, de homoseksuelen, naar de zo lang niet genoemde slachtoffers van de Japanse kampen, de gemartelden, de gefusilleerden, de doodgehongerden, de gesneuvelden onder militairen, verzetsmensen en gewone burgers.

Veel mensen waarmee Nico Rost in Dachau omging waren opgepakt omdat ze het naderend onheil aan voelden komen, en daarover hadden gesproken, geschreven of zich er anderszins tegen hadden verzet.

 

Leo Schenk 7567

 

Journalisten bedreigd

Als U zou vinden dat het iets onbetamelijks heeft om nu een sprong te maken naar verschillende manieren waarop in onze tijd, en ook in ons land, democratie en onafhankelijke pers onder druk zijn gekomen, dan zal ik dat niet bestrijden. Het ontzagwekkende leed dat de Tweede Wereldoorlog heeft veroorzaakt kan en mag daar niet mee op één lijn gezet. Maar er is mij gevraagd om vanuit de persoonlijke geschiedenis van Nico Rost iets te zeggen over media en journalistiek in onze tijd. Journalisten, schrijvers en kunstenaars zijn onmisbaar bij het onderhouden van een vrije, transparante samenleving. Maar de vrijheid om dat te doen wordt op veel plekken in de wereld fysiek bedreigd. Ik geef wat cijfers, waarbij ik mij nu beperk tot de journalistiek.

De UNESCO meldde vorig jaar dat 55% van de 182 journalisten die in 2016 en ’17 omkwamen, geen slachtoffers waren van oorlogssituaties. Het gaat hier om mediamensen die zich bezig hielden met bijvoorbeeld onderzoek naar drugshandel, corruptie of wangedrag van politici of bestuurders. Rond 90% van die gevallen hebben nooit geleid tot berechting en bestraffing van de daders. De Franse monitor Reporters sans Frontières noteert op 12 december 2018 vorig jaar dat tot die dag opnieuw 81 mediamensen het leven hadden gelaten. En dat er volgens hun gegevens op dat moment wereldwijd 335 journalisten in gevangenissen zaten. Het Amerikaanse Committee to Protect Journalists gaf in december aan dat in de periode 2008-2018 minimaal 324 moorden op journalisten hebben plaatsgevonden, waarvan 85% niet is vervolgd. Dit is ook het geval met de moord op mijn 4 collega’s Jan Kuiper, Hans ter Laag, Joop Willemsen en Koos Koster. Op 17 maart 1982 werden ze tijdens hun journalistieke werk opgewacht door een bewust in hinderlaag wachtende afdeling van het regeringsleger van El Salvador, die ze alle vier kansloos neermaaide. Ondanks meerdere onderzoeken en een uitspraak van de VN-onderzoekscommissie dat hier sprake is geweest van moord, is het in de afgelopen 37 jaar nog nooit tot een vervolging van de daders gekomen. De gevoelige relatie met de Verenigde Staten heeft daar een zware rol bij gespeeld. Het Salvadoraanse conflict speelde in hun achtertuin en was van geopolitiek belang. Een documentaire van het programma Zembla die in september jl. werd uitgezonden maakte na uitstekend journalistiek onderzoek nog eens duidelijk welke Salvadoraanse officials verantwoordelijke zijn voor deze moordpartij. Maar ook dat Amerikaanse adviseurs, die sprekend werden opgevoerd, er waarschijnlijk met hun neus boven op hebben gezeten toen de boze plannen werden voorbereid. Desondanks, en na alle publieke en politieke commotie die deze uitzending een half jaar geleden weer teweegbracht, is er niets meer vernomen uit Den Haag of Washington. UNESCO-cijfers die ik daarnet noemde over het onbestraft blijven van wandaden tegen journalisten, betreffen heel vaak landen met niet al te best werkende rechtssystemen. Maar ook tussen relatief goed georganiseerde landen als de Verenigde Staten en Nederland weegt politieke afdekking kennelijk zwaarder dan het hoog houden van rechtsstandaarden.

En hoe vers ligt niet in ons geheugen wat een Nacht und Nebel-verdwijning naar nationaal socialistisch model had moeten worden: iemand verdwijnt op gewelddadige wijze van de aardbodem zonder dat er ooit nog iets van vernomen wordt. Ik bedoel de slachting van de Saoedische journalist Jamal Khashoggi in de ambassade van zijn land in Istanboel. Ondanks de toch zichtbaar geworden bewijzen hebben er nog geen geloofwaardig onderzoek en berechting plaatsgevonden. En dat er in dat schuldige Saoedi Arabië volgens de eerdergenoemde bronnen vele andere journalisten in de cel zitten bereikt ons bewustzijn niet eens. Cynisch is trouwens ook dat in het land van de grootste criticaster van de Saoedische moord, de Turkse president Erdogan, tenminste 68 journalisten zitten opgesloten. Even onbestraft is een ander bekend geval: In Malta kwam de dappere onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia, in oktober 2017, door een autobom om het leven. Zij stelde de corruptie in de politieke leiding van haar land aan de orde. Diezelfde regering heeft overigens aan de UNESCO laten weten dat er een miljoen euro beschikbaar is gesteld om dit te onderzoeken....

Vermoorden van journalisten: de UNESCO noemt het de meest vergaande vorm van censuur. Het is dankzij hun rapportages en meer nog, die van de eerder genoemde Reporters sans Frontières en het New Yorkse Committee to Protect Journalists, dat we tegenwoordig databases hebben waarin al die journalisten, die in tientallen landen van de wereld, slachtoffer werden, zijn geregistreerd. In dat rijtje wil ik vandaag toch ook zeker het in Nederland gevestigde Free Press Unlimited noemen. Dit heeft onlangs aangekondigd diepgaande onderzoeken naar onopgehelderde zaken te gaan doen en die eventueel voor een nog op te zetten volkerentribunaal in Den Haag te brengen.

Maar er zijn ook nog andere bedreigingen voor serieuze journalistiek en media. Het ontbreken van fatsoenscodes in sociale media bijvoorbeeld, waardoor nuance in het maatschappelijk debat uit het zicht raakt, en serieuze media in de verleiding raken op deze toonhoogte mee te gaan trompetteren. Of de mogelijkheden van beeldmanipulatie en het verspreiden van fakenieuws, al dan niet door vijandige trollen, waardoor burgers steeds minder zeker weten of het klopt wat ze zien en waar is wat er staat.

In de democratie bestaat er een soort sociaal contract tussen samenleving en journalistiek. Journalisten hebben een grote verantwoordelijkheid: Ze zijn medebewakers van het evenwicht tussen de machten. Hun onthullingen kunnen een regering, een organisatie of een individu in grote problemen brengen. Er wordt zelfs begrepen dat ze hun bronnen moeten kunnen beschermen. Tegenover deze gewichtige verantwoordelijkheid dient mijns inziens wel iets te staan. Ze stelt hoge eisen aan de kennis en kunde van de journalistieke beroepsgroep. Het is dan ook een permanente opdracht aan journalistieke organisaties, inclusief de opleidingen, om dit bewustzijn te tonen en met elkaar dienaangaande normen voor te houden. Transparantie is ook gewenst over hoe intern de kwaliteit bewaakt wordt. Openstaan voor kritiek en vragen moet een grondhouding zijn. Erkennen dat fouten gemaakt worden en uitleggen hoe dat kan gebeuren, draagt meer bij aan het vertrouwen van de consument dan geprikkeld of defensief reageren. Ook de rectificaties die nog steeds vaak in weinig zichtbare hoekjes van kranten worden geplaatst kunnen ruiterlijker. Om maar niet te spreken over de vrijwel ontbrekende rectificatiecultuur bij audiovisuele media.

Ook de populistische tendensen in het publieke en politieke debat kunnen een bedreiging voor de journalistiek vormen. Moet je meegaan in de stroom, of er tegenop roeien? Waar blijft dan je eigen stem? Raken we niet intern verdeeld? Het lijken mij niet relevante criteria voor een journalistieke organisatie. Dienstbaar zijn naar je publiek, luisteren naar de stemmen uit de samenleving? Ja natuurlijk. Maar wat je er mee doet moet van journalistiek gehalte zijn, en geen sociale massage. De gepokt en gemazelde Engelse journalist Jonathan Foster, docent journalistiek aan de Universiteit van Sheffield heeft iets over zijn vak gezegd dat me in dit verband sterk aanspreekt. “If someone says it’s raining and another person says it’s dry, it’s not our job to quote them both. Your job is to look out of the fucking window and find out which is true”.

Waarheidsvinding blijft de centrale opdracht. Misschien hoort daar in de actualiteit van vandaag bij dat journalisten minder hun agenda afstemmen op de politieke sfeermakers en hun spindokters. En meer op de thema’s die voor verbinding kunnen zorgen en het idee van saamhorigheid in de samenleving versterken. Steeds meer kiezers, ook in Nederland, lijken het vertrouwen in de politiek verloren te hebben. Een van de diepere oorzaken daarvoor is dat die politiek niet meer in staat blijkt een stabiele, duurzame vloer onder onze samenleving te leggen. De scepsis daarover heeft zich helaas ook gericht op journalistiek en media. Dat vraagt om een robuust antwoord, waarin media hun democratische rol robuuster, onafhankelijker van het alledaagse gewoel, en met nieuwe middelen durven te spelen. En dat brengt mij aan het eind van dit betoog terug bij Nico Rost en zijn verzuchting over de opvoeding van kinderen na de holocaust: ze moeten meer weten. Die kinderen zijn ook wij, de journalisten, politici, burgers en opvoeders van nu.

Persoonlijke moed

In het kleine museum dat mij dierbaar is, het Nationaal Onderduikmuseum in Aalten, worden verhalen uit de oorlog verteld. Eén daarvan heeft mij lang tot denken aangezet. Het gaat over een jonge vrouw, een koerierster, die met de trein een joods kind naar een nieuw onderduikadres moet brengen. Als ze met het kind in de trein naar Arnhem zit, ziet ze een paar Duitse militairen schuin tegenover zich zitten. Een van hen, een officier, blijkt steeds naar haar te kijken. Ze schrikt, want herkent hem. Hij is ingekwartierd op de boerderij van haar buren. Maar er gebeurt niets en ze levert het kind af. Korte tijd later houdt de officier haar op straat aan. Hij zegt in het Duits: dat was gevaarlijk wat u daar deed, juffrouw. Ze verstrakt, herneemt zich, en vraagt: Meneer de officier, bent U christen? Maar natuurlijk, zegt de man. Dan weet U zeker wel dat Jezus ook een jood was? Waarna de Duitser zich omdraait en van haar wegloopt.

Dit meisje is een heldin, zeiden we na de oorlog. Zij deed wat ze vond dat gedaan moest worden. Vanuit haar geweten, een persoonlijk moreel kompas dat misschien onmiddellijk ja zei toen iemand haar vroeg om het verzet te steunen.

De Duitse officier was een dader. Een vertegenwoordiger van een misdadig systeem, een bezetter en onderdrukker door het uniform dat hij droeg namens een systeem dat waarschijnlijk op enig moment zijn instemming had. Maar in de confrontaties met dit verzetsmeisje won zijn humaniteit het even van het systeem waarin hij functioneerde.

De tijden waarin we de oorlog beschreven als een zwart-wit verhaal, waarin burgers goed of fout waren, liggen achter ons. Nu zijn we zo ver dat we weten dat de oorlog vooral grijs is en moeten we oppassen dat we niet alle misdadigheid weg relativeren. De meerderheid was grijs, denken we nu. Het leven ging toch ook door onder de bezetting. Sommigen maakten de keus er iets tegen te willen doen. De meesten niet. Velen zullen er geweest zijn die ook iets gedaan hebben, iets kleins, een keer nee gezegd, een keer op tijd hebben weggekeken, iemand iets hebben toegestopt. Een mens heeft dat vermogen om te kunnen kiezen en blijft levenslang in de gelegenheid keuzes te maken die wat minder grijs en iets meer wit kunnen opleveren. Als er een nieuwe oorlog komt zou er veel meer wit in het grijs kunnen zijn, moeten zijn. Dat innerlijke morele kompas, van waar uit je ja of nee zegt als je moet kiezen, moet gescherpt worden. Daar werken we ons leven lang aan. Ik vermoed dat Nico Rost wilde dat we hieromtrent zouden leren. “Lernen”, inzicht verwerven in jezelf en de wereld, zoals hij zelf in zijn Groningse jeugd het diepe opvoeden van kinderen in de joodse traditie heeft ervaren, als een nabije buitenstaander.

Als verwoed lezende intellectueel heeft hij waarschijnlijk later ook het werk van de grote socioloog Max Weber (1864-1920) gekend. In een beroemde toespraak over politici en de noodzaak van ethiek zei die in 1919, honderd jaar geleden: “En zelfs degenen die geen leiders of helden zijn, moeten zich wapenen met de standvastigheid van het hart die bestand is tegen de verpulvering van alle hoop”. De mens moet in concrete situaties boven zichzelf kunnen uitstijgen, zich los kunnen maken van een systeem waarin je gelooft, zelfs van de groep waar je je toe rekent. Weber heeft het over “de bereidheid om iets te bewerkstelligen dat de eigen persoon overstijgt”.

Leren moeten we, waar we ook staan of wat we ook geloven, dat heldendom iets heel kleins kan zijn. En elke dag toepasbaar. Het lef om iets te benoemen wat verzwegen wordt. De moed om een hand te reiken aan iemand die buiten de groep staat.

Misschien hebben we wel meer aan heel veel klein heldendom, dan aan eens per eeuw een Churchill. Bij wijze van spreken. Laten we allemaal proberen het grijs wat witter te maken, liefst nog voordat de oorlog uitbreekt.

Ik wil eindigen met een citaat uit een klein boekje dat Nico Rost schreef over zijn kindertijd in Groningen. Hij kwam bij joodse families over de vloer en maakte de religieuze feesten mee, zoals Rosj Hasjana, het joodse Nieuwjaar. Daar wordt in de synagoge geblazen, al eeuwen lang, op de hoorn van een ram, als teken dat God en de mensen bij elkaar horen. Dat begreep Nico pas toen hij de uitleg van de middeleeuwse joodse geleerde Maimonides had gelezen. Toen kreeg het blazen van de sjofar een vermanende betekenis die, zo besefte hij, waarlijk niet alleen op joodse Groningers van toepassing was. En dan citeert hij wat ik vandaag voor mezelf en U allen, journalist, politicus, opvoeder en burger nog eens hardop lees :

“Ontwaakt gij, die in de dommel en gij, die in diepe slaap verzonken zijt. Gij, die in het onwezenlijke van de tijd de waarheid hebt vergeten of het ganse jaar achter nietigheden dwaalt, waar geen baat bij is, schouwt in uw binnenste en kijkt naar uw handelingen en gedragingen”.