Iris Crena de Iongh-Homans, Mijn grootvader Nico Rost

 

Iris Crena de Long Homans7536

 

Zo waarschuwde hij al in 1931 de Nederlandse journalist Jaques Gans: “Er loopt bij ons in Duitsland een zekere  meneer Hitler rond, die een afgrijselijke hoop kaplaarzen achter zich aan heeft. En daar komen er met een zes miljoen werklozen steeds meer bij.... ” 

 

 

Mijn grootvader Nico Rost

 

Iris Crena de Long Homans7540

 

Om met de deur in huis te vallen: dit wordt geen persoonlijk getint verhaal van een kleindochter over haar grootvader. Zo’n verhaal kan ik u niet vertellen, simpelweg omdat ik die grootvader, mijn opa Nico, maar heel oppervlakkig heb gekend. Zijn leven was zo overvol, dat er voor kinderen en kleinkinderen niet veel ruimte was. Uit eigen waarneming viel dus niet veel te putten. Maar gelukkig zijn er andere bronnen: er is heel wat door en over mijn grootvader geschreven. Zo heb ik toch genoeg informatie voor dit verhaal bij elkaar kunnen sprokkelen. Ik heb daarbij vooral gebruik gemaakt van Nico’s eigen werk en van het zeer informatieve boek dat Hans Olink over hem heeft geschreven.

Ik heb mijn grootvader zo leren kennen als een man met vele kanten. Hij had een enorme honger naar kennis en was zeer geïnteresseerd in filosofische en politieke vraagstukken. Raakte al jong sociaal geëngageerd, werd communist en later, zoals hij het zelf noemde, een partijloze marxist. Schrijver, reporter, vertaler en literator. Zacht en vriendelijk, maar soms ook hard. Door veel mensen op handen gedragen, door sommige verguisd. Boven alles een man die van Duitsland en van de Duitse literatuur hield en pleitbezorger daarvan was in Nederland en België.

Dit alles levert een veelkleurig, complex en af en toe ondoorzichtig beeld op en een leven waarvan ik u hier maar een glimp kan laten zien.

Iris Crena de Iongh-Homans

 

Groningse jeugd

Nico Rost werd op 21 juni 1896 geboren als oudste van twee kinderen in een keurige familie in Groningen. Het gezin woonde in een deftig huis aan een van de singels. Er was een kenmerkende tweedeling in de familie. Waar moeder en zus Lidi het huis altijd door de voordeur verlieten, gingen Nico en zijn vader veelal door de achterdeur, om zo uit te komen in het armoedig deel van de stad, waar voornamelijk Joden woonden. De jonge Nico kwam zo in aanraking met allerlei soorten mensen en vooral ook met armoede. Hij zag de grote sociale ongelijkheid en ik denk dat tijdens die tochtjes met zijn vader de kiem gelegd werd voor zijn latere communistische sympathieën.

Nico bezocht weliswaar gymnasia, maar een diploma, dat kwam er niet van. Te veel andere dingen te doen. Nico las heel veel, had literaire aspiraties en wilde schrijver worden. Dat werd in het burgerlijk milieu niet op prijs gesteld. Zou hij niet liever zijn vader opvolgen? Nee dus.

Huwelijk

Na allerlei omzwervingen werd Nico in 1919 het huis uitgezet en werd zijn toelage ingetrokken omdat hij wilde trouwen met de toen 19-jarige Maud Kok, mijn grootmoeder. Het stel trouwde in Amsterdam. Daar werd in 1920, op een lekkende zolderkamer onder een omgekeerd opgehangen paraplu, dochtertje Molly geboren, mijn moeder.

Nico Rost en Maud Kok

Hoewel Nico daarna zijn toelage weer kreeg, had het jonge paar moeite het hoofd boven water te houden. Temeer daar anderhalf jaar later ook zoontje Tijl ter wereld kwam. Het huwelijk duurde kort. In 1926 ging het stel uit elkaar. Vanuit het Zwitserse Ascona, verblijfplaats van dat moment, vertrok Maud met dochter Molly naar Parijs. Nico ging met zoontje Tijl eerst terug naar Nederland en later naar Berlijn.

Mijn moeder, Molly, zag haar vader in haar verdere jeugd nog maar sporadisch. Alleen als Nico Tijl kwam afleveren in Parijs voor een vakantie bij zijn moeder en zusje, waren er korte ontmoetingen.

Berlijn

Op zoek naar een beter leven vertrok Nico in 1922 naar Duitsland, waar hij neerstreek vlakbij Berlijn. Daar zou hij, met een onderbreking van drie jaar, blijven wonen tot 1933. Eerst nog samen met Maud en beide kinderen; later alleen met zoon Tijl.

 

Iris Crena de Long Homans7542

 

In deze stad vol kunstenaars, schrijvers en intellectuelen was Nico bijna dagelijks te vinden in het Romanisches Café, dat vooral gefrequenteerd werd door schrijvers. Velen leerde hij er goed kennen. Mensen als Carl Einstein, Berthold Brecht, Robert Musil en Thomas Mann. Zij en vele anderen, leverden hem stof op voor de artikelen en literatuurbesprekingen die hij schreef voor Nederlandse en Vlaamse bladen en kranten. Nico’s terrein breidde zich daarbij steeds meer uit richting geëngageerde literatuur. Hij vertaalde vele literaire werken van belangrijke schrijvers die zich via hun werk verzetten tegen het opkomend fascisme, waarvan hij ook zelf een steeds feller tegenstander werd. Zo was hij een hartstochtelijk propagandist van vooral de links georiënteerde Duitstalige literatuur in het Nederlands taalgebied.

Naast een zeer grote kennis van de Duitse literatuur bouwde Nico daar in Berlijn een enorm netwerk op. Die kennis en dat netwerk zouden zijn hele leven belangrijk voor hem blijven.

Mijn grootvader, sinds 1928 lid van de Communistische Partij Holland, zag al vroeg aankomen wat er in Duitsland stond te gebeuren. Zo waarschuwde hij al in 1931 de Nederlandse journalist Jaques Gans: “Er loopt bij ons in Duitsland een zekere  meneer Hitler rond, die een afgrijselijke hoop kaplaarzen achter zich aan heeft. En daar komen er met een zes miljoen werklozen steeds meer bij. Die Hitler zegt dat hij nog een zware rekening met Frankrijk heeft te vereffenen, dat hij de Joden en de ontaarde kunst wil opruimen en hij is krankzinnig genoeg om dat te doen ook, als hij de kans krijgt.”

Opgepakt en uitgezet

Nadat in 1933 Hitler aan de macht was gekomen, braken Nico’s openlijk beleden marxistische sympathieën en zijn vriendschappen met Joden hem op. In maart van dat jaar werden al zijn boeken en andere documenten in beslag genomen. Hij zag ze nooit meer terug.

Een paar weken later werd Nico opgepakt en zat hij drie weken gevangen in concentratiekamp Oranienburg. Kort daarna werd hij het land uitgewezen. Nico verliet Duitsland, diep doordrongen van het grote gevaar van het fascisme. De jaren daarna zouden in het teken van de felle bestrijding daarvan staan, met zijn pen als voornaamste wapen.

Brussel

Nico vestigde zich in Brussel, waar het wemelde van de gevluchte Duitse schrijvers. Hij vond er veel oude bekenden terug en ontplooide er een wereld aan activiteiten tegen het fascisme. Hij schreef artikelen over Hitler-Duitsland en maakte zo antifascistische propaganda. Hij was lid van allerlei comités en bracht werkbezoeken aan Engeland, Rusland en Spanje. Hij ving Duitse politieke emigranten op, zorgde ervoor dat ze onderdak vonden en te eten kregen.

Intussen was Nico een rascommunist geworden. Zo voerde hij ook opdrachten voor de Communistische Partij uit, waarbij hij zo nodig zijn vrienden niet spaarde. In 1942 trad hij toe tot het Onafhankelijkheidsfront, de belangrijkste verzetsorganisatie van België.

Veel van zijn activiteiten in deze periode vonden ondergronds plaats. Ze bleven daardoor vaak schimmig en leidden soms tot vraagtekens. Desondanks kreeg Nico in 1954 twee Belgische onderscheidingen voor zijn verzetswerk van 1941-1943. In Duitsland werd hem vanwege zijn activiteiten van 1933 tot 1945 het erelidmaatschap van de West-Duitse Bund der Opfer des Faschismus und des Krieges toegekend.

Edith en Tijl

Nico was in 1928 in Berlijn hecht bevriend geraakt met de Duits-Joodse Edith Blumberg. Ook zij ging, op de vlucht voor het naziregime, met haar dochtertje Ilse in Brussel wonen. Nadat haar eerste man was overleden, hertrouwde zij in 1942 met Nico.

Zoon Tijl was een sluitpost. Hij was veel alleen en iemand zou zich hem later herinneren als ‘dat jongetje dat altijd zo’n honger had.’ Tussen Tijl en Edith boterde het niet. Bovendien: Tijl was geen studiebol en voelde zich niet thuis in het intellectuele milieu waar zijn vader en Edith in verkeerden.

Dachau

Terug naar Nico. In mei 1943 begonnen zijn illegale activiteiten te veel op te vallen. Zijn bibliotheek werd voor de tweede maal in beslag genomen en hijzelf werd opgepakt met als officiële reden ‘ondermijning van de Wehrmacht’.

Zo kwam Nico terecht in de strafgevangenis in Scheveningen, het Oranjehotel, waar hij een half jaar bijna totaal geïsoleerd verbleef. Daarna volgde kamp Vught. Uiteindelijk belandde hij op 10 juni 1944 in concentratiekamp Dachau, waar hij een klein jaar gevangen zat. Een periode van onbeschrijflijke ellende: ziektes, honger, luizen, angst, elke dag nieuwe doden, hij maakte het allemaal mee.

Dat Nico het kamp overleefde, was onder meer te danken aan het feit dat hij tewerkgesteld was in het Revier, de ziekenbarak, waar het beter uit te houden was dan op andere plekken in het kamp. Een van zijn taken was het bijhouden van de zieken- en dodenlijsten. Daardoor kwam hij overal in het kamp en ontmoette hij mensen met allerlei nationaliteiten en achtergronden. Dat leidde, net als eerder in kamp Vught, tot diepgaande gesprekken en discussies over filosofische, theologische en politieke onderwerpen. Bijvoorbeeld met de sociaal-democraat Wiardi Beckman, maar ook met een Oostenrijkse psycho-analyticus, met Franse geestelijken, met oud Spanje-strijders ... En natuurlijk met de Nederlandse dichter Ed Hoornik, met wie Nico in kamp Vught al hecht bevriend was geraakt en dat altijd zou blijven.

Leren, lezen en schrijven

Door al zijn contacten kon mijn grootvader zijn medegevangenen vaak op een of andere manier behulpzaam zijn. Intussen verruimde zijn wereldbeeld zich: hij kreeg steeds meer begrip en waardering voor andersdenkenden. Zo waren zijn politieke ideeën bijvoorbeeld heel anders dan die van de Nederlandse piloot Carel Steensma. Dat stond de twee heren echter niet in de weg van elkaar te leren, over fysica en astronomie enerzijds en over literatuur anderzijds.

SS Bibliotheek DachauTegelijkertijd richtte Nico zich met volle kracht op de bijvoeding die hij in deze situatie het allerbelangrijkst vond: vitamine L (literatuur) en vitamine T (toekomst). Er was in Dachau een verbazend goede kampbibliotheek waar hij de hem nog onbekende Duitse klassieken vond zoals Goethe, Schiller, Hegel, Herder, Hölderlin ... Hij las en las en las.

Al heel snel na zijn aankomst begon Nico in het geheim aantekeningen te maken van de vele gedachten en gesprekken die zo voorbijkwamen. Dat deed hij op allerlei papiertjes die hij in het geheim toegestopt kreeg van zijn medegevangenen en die hij al die tijd heeft kunnen bewaren. Op basis daarvan schreef hij na de oorlog zijn bijzondere kampdagboek Goethe in Dachau. Het schrijven en de literatuur waren zijn overlevingsstrategie. Met behulp daarvan bleef Nico overeind, kon hij een grote steun zijn voor zijn medegevangenen en heeft hij de hel Dachau overleefd.

Op 29 april 1945 werd kamp Dachau door de Amerikanen bevrijd. Drie weken later vertrokken de eerste achttien Nederlanders in een door hen zelf geregelde bus naar huis. Onder hen Ed Hoornik, Carel Steensma, Hans Teengs Gerritsen en Nico Rost. From Dachau to Holland stond er op de bus. Weer thuis Op 19 mei was Nico terug in Brussel, waar hij Edith, Ilse en Tijl ongedeerd terugvond.

Edith bleek op verdenking van illegale activiteiten intussen vier maanden in een Gestapo-gevangenis te hebben gezeten, maar was wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten.

Tijl was in de oorlog via de Arbeitseinsatz terechtgekomen in Noord-Duitsland, waar hij in een fabriek werkte. Toen hij weer thuiskwam, kon hij daar niet meer aarden. Hij vertrok naar Zweden, waar hij een baan had gevonden als monteur. Hij bleef daar de rest van zijn leven wonen en had nog slechts sporadisch contact met zijn ouders.

 

Stem der Lage Landen 2 mei 1945

Ardennen

In het boekje De bus uit Dachau lees ik dat Nico weer op krachten kon komen dankzij koningin Wilhelmina. Zij had afleveringen onder ogen gekregen van de kampkrant, de Stem der Lage Landen, waaraan Nico had meegewerkt en zorgde ervoor dat hij en Edith zes maanden in de Ardennen konden logeren. Eten, medicijnen, alles werd verzorgd. Zelfs een pak werd hem toegezegd. De ambtenaar vroeg: “Wat wilt u dan voor een pak?” “Net zo een als u hebt”, zei Rost, “want dat is heel best.” In de Ardennen, in het dorpje Amonines, raakte Nico gegrepen door het simpele plattelandsleven en door de natuur. Edith en hij bleven er tot 1949 wonen. Nico schreef er verhalen over maar eerst had hij Goethe in Dachau afgemaakt.

Oost-Duitsland

Goethe in Dachau verscheen in Nederland in 1948 en werd in het algemeen positief ontvangen. Het jaar daarna gaf een Oost-Duitse uitgeverij het boek uit in een vertaling van Edith. Vooral daar, in Oost-Duitsland, waar men druk doende was met de vorming van de DDR, werd het optimisme dat het boek uitstraalde zeer gewaardeerd. Nico werd er op handen gedragen en kreeg de ene na de andere uitnodiging. In mei 1949 vertrokken hij en Edith dan ook naar de Oost-zône. Daar was interessant en goedbetaald werk voor hen beiden en zij werden er als vorsten behandeld.

Dat duurde echter nog geen twee jaar. Er ontstond al snel een hetze tegen Goethe in Dachau en vervolgens ook tegen Nico zelf. Begin 1951 werden hij en Edith de DDR uitgezet. Weer hadden Nico en Edith geen huis meer en weer, voor de derde keer nu, was zijn bibliotheek in beslag genomen. Het verblijf in Oost-Duitsland was uitgelopen op een flinke teleurstelling. Die werd des te groter toen later tot Nico doordrong welke misdaden de eerder door hem bewonderde Stalin destijds al bedreef. Nico keerde zich helemaal af van de Communistische Partij en zag zichzelf nu als een partijloze marxist.

 

Iris Crena de Long Homans7543

 

Na 1951

Na een half jaar in het nu te dure Brussel, gingen Nico en Edith noodgedwongen terug naar Nederland. Na allerlei omzwervingen kregen zij pas in 1955 een eigen appartementje in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Eindelijk een plek om te wonen en een plek waar Nico zijn boeken kwijt kon. Het appartement stroomde er vol mee. Waar je ook keek, waren boeken. Op den duur zelfs zo veel dat de vloer overbelast dreigde te raken ...

Natuurlijk was Nico intussen blijven schrijven en dat zou hij ook altijd blijven doen. Al dan niet politiek geïnspireerde artikelen, brochures, vertalingen en ook eigen werk. Zo verscheen in 1956 De vrienden van mijn vader over de in de oorlog bijna compleet uitgemoorde Joodse bevolking in Groningen. Nico kreeg er in 1959 de Marianne Philips-prijs voor.

Vooral ook hield mijn grootvader zich intensief bezig met het herstel van de relatie tussen Nederland en Duitsland. Was zeer geregeld in Duitsland te vinden, waar hij, meestal voor scholieren, lezingen hield over het naziregime. Zo bleef hij ageren tegen het fascisme en tegen het vergeten. Ook zijn intensieve betrokkenheid bij de Dachau-comités, waarover u hier al eerder hoorde, getuigde daarvan. De oorlog en zijn ervaringen in Dachau bleven hem bezighouden. “Zo lang ik leef, wil ik blijven getuigen”, zei hij vlak voor zijn dood nog in een interview.

 

Grootvader Nico

Rost20002In deze Amsterdamse periode ontstond er meer contact tussen mijn grootvader en mijn moeder en haar gezin. Mijn moeder ging geregeld naar Amsterdam om hem en Edith te bezoeken. Een heel enkele keer kwamen Nico en Edith ons in Rotterdam opzoeken. Eén keer herinnert mijn broer zich nog goed. Die dag stonk het nogal buiten. In de buurt stond een fabriek waar dierenkarkassen verwerkt werden. De wind stond richting ons huis. Zo kwam het dat er een stank hing, die Nico sterk herinnerde aan de lucht die in Dachau dagelijks uit de crematoriumschoorsteen kwam ... Hij zei direct dat hij nooit meer zou komen.

Na een ziekbed van een paar weken overleed Nico, 70 jaar oud. Bij de begrafenis zaten mijn moeder en ik in een volgauto samen met zijn grote vrienden Ed Hoornik en dominee Buskes. Ik was erg geïmponeerd door hen en door al die andere bekende mensen die er waren. Kort daarna was ik bij de uitreiking van de Culturele Prijs van de Provincie Groningen. Die was in 1966 aan mijn grootvader toegekend, maar hij kon hem niet meer in ontvangst nemen. Dat deed Edith, die hem nog elf jaar overleefde. Het was pas bij zijn begrafenis en bij die prijsuitreiking, dat werkelijk tot mij doordrong wat een bijzonder en waardevol mens mijn grootvader was geweest. Wat jammer dat ik hem zo slecht heb gekend.

Hierboven werden achtereenvolgens de volgende boeken genoemd:

Hans Olink Nico Rost de man die van Duitsland hield
 
 
 
 
Nico Rost. De man die van Duitsland hield.
Een biografische schets door Hans Olink.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Nico Rost goethe in Dachau Cover
 
 
Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid,
Dagboek 1944-1945. Door Nico Rost. Na drie eerdere drukken in 2015 opnieuw uitgegeven door uitgeverij Schokland.
In Duitsland is het boek vele malen opnieuw uitgegeven en in 2016 verscheen het boek in Spanje.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bus uit Dachau scan foto
 
 
 
De bus uit Dachau. Achttien Nederlanders en hun weg terug uit Nacht und Nebel.
 
Door Jos Schneider en Gijs van de Westelaken.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Nico Rost de vrienden van mijn vader
 
 
 
De vrienden van m’n vader. Herinneringen aan de Folkingestraat.
Door Nico Rost.